Laatste wijziging van deze pagina: zondag 8 juni 2008 om 18:08 uur

De Theorie – Hoofdstuk 7

Structureren: indeling en inrichting van de buiten- en binnenruimtes

Elly Singer - Onderzoeker UvA en UU, projectleider Nederlands Curriculum
Loes Kleerekoper - Pedagoog SKN, projectmedewerker Nederlands Curriculum

Een goed ingerichte ruimte nodigt kinderen uit tot spelen, ontdekken en gezellig of rustig samen of alleen zijn. En een goed ingerichte ruimte is ook voor pedagogisch medewerkers een plezierige en efficiënte omgeving om in te werken. Als de omgeving tegemoet komt aan de basisbehoeften van kinderen, wordt bij de kinderen spontaan spelen, leren en ontdekkend gedrag opgeroepen. Door het inrichten van de binnen- en buitenruimtes reguleren de pedagogisch medewerkers indirect het gedrag van de kinderen.

In dit hoofdstuk zullen inzichten uit de voorgaande hoofdstukken worden vertaald naar de indeling en inrichting van de ruimte. Achtereenvolgens komen aan de orde:

Veiligheid en welzijn

Fysieke veiligheid en gezondheid

Zowel binnen- als buitenruimtes voldoen aan hoge veiligheidseisen. In alle ruimtes zijn de juiste hygiënische maatregelen getroffen. De aandacht voor de gezonde ontwikkeling van de kinderen uit zich onder meer in een goed binnenklimaat (zoals schone lucht en goede temperatuurregeling) en toegankelijke en aantrekkelijke buitenspeelmogelijkheden. Met behulp van risico-inventarisaties bewaken kindercentra de veiligheid en gezondheid van de kinderen.

Bij een gezonde ontwikkeling hoort ook ruimte om te leren en spelen. Daarom wordt steeds een balans gezocht tussen de noodzakelijke veiligheid en de al even noodzakelijke uitdaging. Kinderen leren binnen en buiten om te gaan met risico's die ze aankunnen. Een trap is uitstekend oefenmateriaal voor een dreumes of peuter om te leren klimmen en naar beneden te gaan. Uiteraard wordt de trap afgeschermd als de pedagogisch medewerkers geen toezicht kunnen houden.

Muur

Een muur voor foto’s en informatie over activiteiten is interessant voor ouders en herkenbaar voor kinderen.
Foto: Loes Kleerekoper - 169
Suggesties voor inrichting welkomstruimte

Een muur met foto’s van de ouders, broers of zussen en andere familieleden of huisdieren van het kind.

Foto’s van activiteiten van de kinderen.

Recente mededelingen over belangrijke gebeurtenissen, vakanties, kinderen die langdurig ziek zijn, broertjes of zusjes die zijn geboren.

Opbergplaats voor spulletjes van individuele kinderen.

Plaats waar kinderen hun jasjes en laarsjes kwijt kunnen.

Prettige plaats waar de ouders en leidsters even kunnen zitten en praten.

170

Vertrouwdheid

Jonge kinderen zijn heel gevoelig voor de omgeving waarin ze verkeren. En voor ouders is de manier waarop het gebouw en de groepen er uit zien, één van de criteria waarmee zij de kwaliteit van het kindercentrum inschatten. Ouders en kinderen willen zich welkom en thuis voelen. Het kindercentrum houdt daarom rekening met wat de kinderen en ouders thuis of binnen hun cultuur gewend zijn. Dat kan ook in kleine dingen zitten, in bepaalde voorwerpen of foto's van thuis.

De speelruimtes zijn sfeervol en harmonieus in aankleding, kleurgebruik en lichtval. Bij de aankleding van muren, vloeren en meubilair wordt er rekening mee gehouden dat jonge kinderen snel overprikkeld raken als er veel tegelijk te zien en horen is. Een goede akoestiek is daarom ook wezenlijk voor alle ruimtes waarin de kinderen spelen en verblijven. De buitenruimte nodigt kinderen uit tot verschillende activiteiten in verschillende seizoenen.

Structuur en herkenbaarheid: "markers"

Vanaf het moment dat kinderen zichzelf kunnen voortbewegen, is het belangrijk dat ze weten waar ze zijn. Ze moeten zich in hun leefruimte kunnen oriënteren. Daarvoor hebben ze concrete aanknopingspunten ('markers') nodig. Markers zijn omgevingskenmerken die kinderen helpen om hun weg te vinden.
Voor baby's kan dat een mat zijn waarop ze veilig kunnen kruipen. Kinderen die lopen hebben 'markers' nodig om een cognitieve kaart van de ruimte te kunnen maken. Ze voelen zich veilig als ze steeds weten waar ze zijn en hoe ze ergens naar toe kunnen lopen. Daarom moet duidelijk herkenbaar zijn voor welke activiteit een bepaalde plek bedoeld is.

Spannende omgeving

Kinderen worden uitgedaagd tot samen spelen in een spannende omgeving.
Foto: Wilmie Colbers - 171

Grenzen tussen verschillende plekken moeten duidelijk zichtbaar zijn. Een homogene ruimte is verwarrend, omdat die geen duidelijke kenmerken heeft waardoor het kind verschillende plaatsen kan onderscheiden. Grenzen waar het kind niet overheen mag, zijn duidelijk aangegeven. Bijvoorbeeld, een trap waar het kind niet op mag; het einde van de hal; het hek om de buitenspeelplaats; de afscheiding tussen de baby's en peuters.

Het vrij bewegen door de ruimte wordt vergemakkelijkt als de kinderen een duidelijke 'weg' hebben om van de ene plaats naar de andere te komen. Als een kind door de gang loopt, moet het weten waar de ruimte van zijn stamgroep is of die van zijn kleine broertje en hij moet de weg terug kunnen vinden. Voorbeelden van markers in de gang zijn: lage binnenramen op kindhoogte; kleurige bordjes die de naam van een stamgroep symboliseren; het rek waar de laarzen staan voor het buitenspelen. Markers, duidelijke grenzen en paden om van het een naar het ander te gaan zijn omgevingskenmerken die kinderen helpen om hun weg te vinden.

Autonomie en privacy

Kinderen doen veel en graag samen, maar hebben ook behoefte aan rust en privacy. Bij hun spel- en leeractiviteiten willen ze soms niet gestoord worden en geconcentreerd bezig kunnen zijn. Ze hebben een hoekje nodig om alleen of met z'n tweeën rustig een boekje te bekijken of een plekje onder de bomen om met een vriendinnetje te spelen. Door de inrichting van de ruimte zorgen de leidsters dat privacy en veiligheid samengaan. Baby's en 2-jarigen hebben bijvoorbeeld behoefte aan oogcontact met de leidster. Als ze alleen spelen, moeten ze wel steeds kunnen weten waar de leidster is. Kijken naar andere kinderen is ook een activiteit die kinderen rust geeft zonder zich buitengesloten te voelen. Daarom zijn er mogelijkheden om rustig te kijken vanaf een lekker plekje op de bank, kleed of verstophoekje.

Illustratie
Illustratie: Simon Jongma
 

Samen spelen en samen leven

Gedurende de dag zijn er veel momenten waarop de kinderen samen zijn. In de indeling en inrichting van de ruimte wordt daar rekening mee gehouden. Zo is er een plaats nodig waar kinderen samen kunnen eten en drinken en de rituelen meemaken die daarbij horen, zoals zingen en vertellen. Dat kan met de hele groep, maar soms zullen de leidsters de kinderen verdelen in twee of drie subgroepjes.

De plaats van de stoelen en de tafels is uitnodigend. Dit kan worden bevorderd door goede verlichting. Een ronde mat of geverfde cirkels op de vloer kunnen dienen als natuurlijke plek om samen te zijn. Een bank en een kussenhoek vergroten de intimiteit en verbondenheid op de groep: kinderen kunnen meekijken bij het voeden van een baby en lekker bij elkaar gaan zitten.
Ook buiten kunnen dergelijke mogelijkheden worden gecreëerd met behulp van niveauverschillen (amfitheater) en zitelementen, of een kleed op het gras. De zandbak gebruiken kinderen vaak om samen te zitten en kletsen, en het huisje is een plaats waar vier of vijf kinderen gezellig samen kunnen spelen.

Doelen en leeractiviteiten

De ruimtes zijn niet alleen ingericht op veiligheid en welzijn. Ze bieden ook uitdagingen om te leren en te ontdekken.

Controle

Voor actief leren is het belangrijk dat de materiële omgeving het kind aanmoedigt tot zelfstandig gedrag. Het speelgoed moet voor de kinderen bereikbaar zijn. Als pedagogisch medewerkers niet willen dat kinderen altijd met alles kunnen spelen, zorgen ze ervoor dat het speelgoed wisselend beschikbaar is. In het toilet hangen de handdoeken op kinderhoogte en kunnen de grotere kinderen bij de kraan om hun handen te wassen.

Illustratie
Illustratie: Simon Jongma
 

De zelfstandigheid van kinderen wordt ook vergroot als de omgeving hun gedrag 'stuurt'. Een tegelplein buiten, nodigt bijvoorbeeld uit tot het racen met fietsjes. De fietsbaan is zo geplaatst dat er geen hinder optreedt voor een andere omgeving die rustiger gedrag oproept, zoals een speelhuisje. Hoe meer de omgeving het gedrag van de kinderen in banen leidt, hoe minder de pedagogisch medewerkers hoeven in te grijpen, en hoe zelfstandiger de kinderen kunnen zijn.

Complexiteit en uitdaging

Een omgeving met het juiste niveau van complexiteit moedigt de ontwikkeling van competenties aan. Kinderen worden dan uitgedaagd om te onderzoeken en op diverse manieren met hun omgeving bezig te zijn. Afwisseling is belangrijk. Een buitenspeelplaats kan bijvoorbeeld het karakter hebben van een ontdektuin met een afwisseling van plaatsen waar kinderen zich kunnen verstoppen, open ruimtes, hoogteverschillen, klimtoestellen, struiken en stukjes tuin, plaatsen voor huttenbouw en spelen met zand en water.

De speelruimte (binnen en buiten) van de kinderen bevat:
  • Plekken om ongestoord alleen te spelen
  • Plekken om in kleine groepjes te spelen
  • Ruimte voor de hele groep
  • Ruimte om samen te eten en te drinken
  • Duidelijk plekken voor verschillende speelleeractiviteiten
  • Spelmateriaal dat kinderen zelf kunnen pakken
  • Opbergruimtes voor materiaal buiten direct bereik van de kinderen
172

Diverse ruimtes

Kinderdagverblijven hebben ruimtes nodig voor een diversiteit aan activiteiten. Bij de situering en inrichting van slaap- en toiletruimtes wordt rekening gehouden met de behoeftes aan aandacht, rust en zelfstandigheid van de kinderen en met de behoeftes van de pedagogisch medewerkers aan overzicht en aan ergonomische verantwoorde werkomstandigheden. Er is ruimte om te eten en te drinken en om elkaar 's ochtends en 's middags te ontmoeten bij het brengen en halen. Er zijn goede zitplekken voor de medewerkers in de speel- en eetruimtes en voor tijdens pauzes en overlegmomenten.
In dit hoofdstuk beperken we ons tot de speel- en leefplekken van de kinderen.

Verzorging-leeractiviteiten

Voor veel van hun basale behoeften zijn jonge kinderen afhankelijk van hun opvoeders. Verzorging neemt een belangrijke plaats in de opvoeding van jonge kinderen in kindercentra: eten en drinken; verschonen en zindelijkheid; slapen en aan- en uitkleden; opruimen en zorg voor de omgeving. Tegelijkertijd zijn al deze activiteiten momenten van intiem contact, gezamenlijkheid en leerervaringen op weg naar zelfstandigheid. In het tweede deel van het curriculum, De Praktijk , wordt geconcretiseerd wat dit voor de indeling en inrichting van de binnen- en buitenruimte betekent.

Speel-leeractiviteiten

De speelruimte geeft de kinderen mogelijkheden om alleen, in kleine of in grotere groepen allerlei soorten spel uit te voeren. Zowel binnen als buiten zijn hoeken of plekken ingericht met het oog op het opdoen van veel verschillende leerervaringen.

Door de groepsruimte in te delen in hoeken met een duidelijke functie, wordt de groep overzichtelijk en aantrekkelijk en kunnen kinderen gerichte keuzes maken. Speelhoeken zijn bijvoorbeeld een afgescheiden hoek waar baby's de ruimte hebben om te bewegen en te ontdekken of een bouwhoek waar je samen kunt bouwen zonder dat er doorheen wordt gefietst. Speelhoeken worden afgebakend door (lage) kasten of groot spelmateriaal, zoals een keukenblok. Door middel van vloerbedekking, lampen en verdere aankleding krijgt elke speelhoek een eigen sfeer.

Schilderen

Ruimte om ongestoord te kunnen schilderen.
Foto: Wim Heijnen - 173

Nodig zijn bijvoorbeeld speelhoeken voor fantasie- en rollenspel, een hoek om te bouwen, een rustige leesplek, ruimte (met materialen) voor creatieve expressie, een plek om te puzzelen en een spel als lotto te spelen, plekken om je even terug te trekken. Ruimte voor beweging, binnen of buiten de groepsruimte, is essentieel voor alle leeftijdscategorieën: om te rollen, te kruipen, te klauteren, te springen en te rennen.

De indeling in verschillende speelplekken is niet alleen van toepassing op de binnenspeelruimtes. Ook buiten hebben de speelgebieden een eigen functie: een zandbak om samen te graven, zeven en bouwen, een heuvel om samen van af te rollen en een muurtje om tegenaan te zitten zijn hier enkele voorbeelden van.

In het praktijkdeel van het curriculum wordt dit qua inrichting en indeling van de ruimte verder geconcretiseerd voor activiteiten gericht op sociaal spel; bewegingsspel en zintuiglijke activiteiten; muziek en dans; beeldende expressie; verkennen van natuur en de fysieke omgeving; ordenen meten en rekenen; communicatie en taal.

Ruimtes voor verschillende leeftijdsgroepen

De diverse leeftijdsgroepen stellen verschillende eisen aan de ruimte en de inrichting daarvan. Ook bestaan er grote individuele verschillen in de behoeftes van kinderen onderling. De uitdaging is om elk kind de ruimte te geven die het nodig heeft.

Baby's

Baby's ontdekken zichzelf en de wereld met hun zintuigen en de rest van hun lichaam. Zolang ze nog niet kunnen kruipen of lopen, zijn ze volkomen afhankelijk van de plaats waar de volwassenen hen neerleggen. Die plaats moet hen de kans geven om hun ontdekkingstocht uit te voeren. Dat gebeurt als er boeiende dingen te zien en te voelen zijn. Daarbij hebben ze ruimte nodig voor hun bewegingen, zodat ze niet geremd worden door bijvoorbeeld een boxkant of een overdaad aan materiaal.

Plek voor baby's

Een eigen plek voor baby’s.
Foto: Loes Kleerekoper - 174

Als baby's te veel prikkels krijgen, worden ze onrustig en huilerig. Bij het creëren van een ruimte of hoek voor baby's is het daarom belangrijk om de hoeveelheid afleiding te beperken. Een rustig geluidsniveau, een beperkt aantal voorwerpen, beperkt gebruik van het aantal kleuren (bijvoorbeeld een effen boxkleed in plaats van een bont kleed met gekleurd speelgoed er op).

Baby's maken een enorme ontwikkeling door, ook motorisch. Zodra ze daar aan toe zijn, gaan ze oefenen met vaardigheden zoals zich optrekken en zich over de grond voortbewegen. Dat betekent bijvoorbeeld een afgeschutte buitenruimte met een zachte ondergrond (gras of een kleed) en hekjes om je aan op te trekken. In een babygroep of een verticale groep is het belangrijk om duidelijk gescheiden speelplekken te creëren waar baby's actief kunnen zijn op hun eigen niveau en elkaar kunnen ontmoeten. Als de speelruimte open is en weinig begrensd, vertonen de kinderen vaak onrustig gedrag en storen ze elkaar.
Uiteraard moeten baby's altijd gezien kunnen worden door de groepsleiding en moeten zij ook altijd zelf de leidsters kunnen zien.

Dreumesen

Dreumesen (circa anderhalf tot twee en een half jaar) hebben een enorme drang om te bewegen. Ze leren lopen, klimmen, glijden, stampen en willen dat eindeloos herhalen. Ze hebben behoefte aan plekjes binnen en buiten waar ze doorheen, onderdoor, achterlangs kunnen kruipen. Ze trekken zich graag even terug, maar willen daarbij wel steeds de leidster in het zicht kunnen houden. Dreumesen beleven veel plezier aan het samenzijn met andere kinderen. Ze nemen graag een leuke spelactiviteit van een ander over, en beleven veel plezier aan het achter elkaar aan rennen of stampen. Daar moet dus ruimte voor gemaakt worden. Dat kan in de eigen groepsruimte en bijvoorbeeld in de hal, het speellokaal of buiten.

Dreumesen zijn geïnteresseerd in alles wat om hen heen gebeurt. Ze zijn geboeid door een stapel takken op de buitenspeelplaats en de beestjes onder een bloempot. Hoeken met een beperkte hoeveelheid interessante materialen zoals een huishoek met handdoeken en een afwasbak lokken uit tot spel. Dit werkt het beste als voor de dreumesen het verschil tussen de hoeken duidelijk is, als ze vanaf een afstand al kunnen zien wat ze daar kunnen doen. Doordat dreumesen snel afgeleid zijn door prikkels van buiten is hun spanningsboog vaak kort. Hun concentratie kan worden vergroot door beperkt materiaal dat ze zelf kunnen pakken of door de hoeken en buitenspeelruimte extra spannend te maken door kleine veranderingen in aankleding en inrichting.

Ontmoetingsplek

Een verloren hoekje wordt gebruikt als ontmoetingsplek.
Foto: Loes Kleerekoper - 175

Keukenhoek

Een goed voorziene keukenhoek geeft veel speelmogelijkheden.
Foto: Loes Kleerekoper - 176

Peuters

Ook voor peuters is het nodig dat in de ruimtes waar zij verblijven (binnen en buiten), rekening wordt gehouden met hun behoefte om bewegingsmogelijkheden te oefenen en uit te breiden: gelegenheid tot rennen, glijden, klimmen, fietsen.

Het spel van peuters is veelzijdig, de indeling en inrichting van hun speelruimtes weerspiegelt dat. Ze hebben plekken nodig waar ze rustig kunnen puzzelen, boekjes kijken. Ze hebben ook plekken nodig voor creatieve activiteiten: verven, kleien, muziek maken. En ze hebben ruimte en materialen nodig om de wereld te kunnen naspelen en er hun eigen vorm aan te geven: een keukenhoek met veel herkenbare attributen, een dierentuin, een winkelhoek, materialen om buiten een tent in te richten.

Peuters kunnen al veel zelf. Hun zelfvertrouwen en zelfstandigheid wordt bevorderd door de ruimte begrijpelijk in te richten. Peuters kunnen dan bewust hun activiteiten kiezen. Dit doen ze vaak samen met anderen. Het spelmateriaal moet logisch passen in de speelhoeken en goed bereikbaar zijn voor de kinderen.

Peuters willen groot zijn en een bijdrage leveren aan hetgeen in de groep gebeurt. De indeling van de ruimte komt zo veel mogelijk tegemoet aan bezigheden als: de bordjes voor de lunch zelf uit de kast kunnen halen, de gieter kunnen vullen om de plantjes water te geven en de lijmkwasten kunnen schoonspoelen.

Peuters hebben behoefte aan vrijheid en aan beschutting en bescherming. Vanuit een gevoel van veiligheid leren ze wat ze zelf kunnen en hoe de wereld in elkaar zit. Ze hebben behoefte aan plekken waar ze zich kunnen terugtrekken, buiten het zicht van de leidsters. Buiten spelen ze graag achter een heg of een berghok. Maar ze moeten wel op elk moment dat ze daar behoefte aan hebben, contact kunnen maken. Ze willen andere ruimtes binnen het gebouw en op het buitenspeelterrein verkennen. Ze spelen graag zelfstandig in de hal en buiten met kinderen uit andere groepen, wetende dat de vertrouwde leidster vlak in de buurt is.

Verticale groepen en open deuren beleid

In de verticale groep moet de variatie in speelplekken tegemoet komen aan de behoeftes van alle leeftijden. Daarom moet de variatie groter zijn dan in horizontale groepen. Naarmate er meer speelplekken zijn en de variatie groter is, vertonen de kinderen zelfstandiger gedrag en spelen ze meer samen.
Bron: Hoekstra, E. e.a., 2006
177

Ook de groepssamenstelling heeft invloed op het gebruik van de ruimtes.

Verticale of horizontale groep

De wijze waarop de groepen worden ingedeeld, klinkt door in de inrichting en het gebruik van de ruimte. In elke groep moeten alle kinderen zich prettig kunnen voelen en gevarieerd kunnen spelen. Naarmate er meer verschillende behoeftes binnen een groep bestaan, is er behoefte aan meer verschillende (speel)plekken. Dat betekent voor verticale groepen dat er voor alle aanwezige leeftijdsgroepen diverse speelmogelijkheden aanwezig zijn. Er moeten oplossingen gevonden worden voor de grote verschillen in behoeftes aan veiligheid en exploratie. Zodat bijvoorbeeld de duidelijke grenzen en omsloten ruimtes die baby's nodig hebben, geen belemmering hoeven te vormen voor de zelfstandigheid en ontdeklust van de dreumesen en peuters. Dat betekent dat er meer speelplekken nodig zijn dan in horizontale groepen, waar de behoeften van de kinderen minder uiteen lopen.

Dit vraagt letterlijk meer speelruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een extra speelruimte, al dan niet gedeeld met andere groepen.

Speelplek

De hal kan uitstekend dienen als speelplek.
Foto: Loes Kleerekoper - 178

Open deuren beleid

In veel kindercentra spelen de kinderen ook buiten de eigen groepsruimte. Denk bijvoorbeeld aan open deuren beleid, groepsoverstijgende activiteiten of centrumbreed werken.
Om dit tot een succes te maken, moet de inrichting van het gebouw als een geheel worden bekeken. Zo kunnen verschillen worden aangebracht in de inrichting van de diverse groepsruimtes. Groepen maken dan onderling afspraken over de verdeling van speelhoeken, met als resultaat bijvoorbeeld een goed voorziene winkelhoek in de ene groepsruimte en een royale verkleedplek in de andere. Verder zijn er uitwerkingen zoals een gelegenheid tot bewegingsactiviteiten in de hal voor dreumesen uit diverse groepen, een atelier waar kinderen uit verschillende groepen met een pedagogisch medewerker of kunstenaar nieuwe materialen kunnen verkennen, een afgeschutte hoek in de gang met een gezamenlijke bibliotheek of speel-o-theek.

De buitenruimte, een speelhal of een lokaal dat een deel van de dag niet in gebruik is, zijn belangrijke uitbreidingen van de eigen groepsruimte.

Het is, zeker voor peuters, belangrijk om daadwerkelijk speelruimte te krijgen en om ook in andere ruimtes dan de vaste groepsruimte te komen. Daarbij wordt gezorgd voor een overzichtelijke route van de ene ruimte naar de andere, waarbij het kind op elk gewenst moment een vertrouwde pedagogisch medewerker kan bereiken.

Spelmateriaal

Veiligheid en welzijn

Bij hun spel kunnen kinderen veel verschillende soorten materialen gebruiken. Dit materiaal moet bestand zijn tegen het veelvuldige gebruik door veel verschillende kinderen en daarom aan hoge veiligheidseisen voldoen. Gebruik van minder solide materialen gebeurt alleen onder controle van de pedagogisch medewerkers.

Kartonnen doos 

De leidsters van babygroep "Dribbel" hebben een grote kartonnen doos zonder nietjes in hun groep neergezet. Af en toe komen enkele baby's op de doos af. Ze voelen voorzichtig met hun handjes. Anderen proberen in de doos te komen. Dan scheurt de doos. Dat vinden sommige baby's ook erg interessant. Zo zien, horen en voelen ze wat er met het karton gebeurt.

De leidsters kijken op een afstandje nauwlettend toe. Als de doos in kleine stukjes gaat en gevaar gaat opleveren, gaat één van de leidsters naar de kinderen toe. Ze vertelt dat deze doos nu op is. Samen met de lopertjes gooit ze de restanten in de papierbak op de speelplaats.

179

Het gevoel van veiligheid en vertrouwdheid van de kinderen wordt bevorderd als het kind in het kindercentrum materialen van thuis herkent. In de aankleding van de poppenhoek, de verkleedhoek en het winkeltje wordt de diversiteit van de kinderen weerspiegeld.

Het zelfvertrouwen en het gevoel van eigenwaarde van de kinderen wordt versterkt als ze zelf met het spelmateriaal aan de gang kunnen. Een bromtol is leuk, maar een baby heeft altijd een ouder iemand nodig om het effect te bereiken. Met een set bekers die in elkaar past, kunnen baby's van verschillende ontwikkelingsniveaus zelf experimenteren.

Bij de aanschaf en het gebruik van het spelmateriaal wordt rekening gehouden met de behoefte aan samen spelen van de kinderen. Ballen, gezelschapsspelletjes en duo fietsjes zijn materialen die samenspel uitlokken en versterken. Een flinke hoeveelheid van eenzelfde soort bouw- en constructiemateriaal stimuleert kinderen om samen iets te maken. Een dilemma ontstaat bij speelgoed dat erg geliefd is. Door daarvan meer exemplaren aan te schaffen, ontstaan er minder conflicten. Het alternatief is om de kinderen te leren om het favoriete speelgoed te delen of er om de beurt mee te spelen.

Uitdaging: doelen en leeractiviteiten

Een gevarieerd en doordacht aanbod van spelmateriaal komt tegemoet aan de ontwikkelingsbehoeftes van alle kinderen.

Voor baby's gaat het bijvoorbeeld zowel om speelgoed dat is gemaakt van verschillende materialen om te kunnen voelen en aftasten, als om de aanwezigheid van spijlen en richels om je aan op te trekken. Dreumesen hebben ballen nodig om samen te spelen en uit te proberen wat je allemaal met een bal kunt doen, grote kussens om over te klauteren maar ook een wieg met beddengoed en een pop en tekenmateriaal. Peuters moeten zowel kunnen manoeuvreren met een kruiwagen en muziek kunnen maken, als kunnen knippen en plakken en op theevisite gaan in een goed uitgeruste huishoek.

Bron van plezier

Niet te koop in de speelgoedwinkel, maar wel een bron van spelen en leren met plezier.
Foto: Tessa van Schijndel - 180

Complex spelmateriaal vergroot de speelmogelijkheden. Speelgoed waarmee kinderen iets kunnen maken is een grotere uitdaging dan speelgoed dat maar op een manier kan worden gebruikt. Verkleedkleren en de poppenhoek zijn te gebruiken voor een rijk scala van doen-alsof-spelen. En met treinrails, bouwstenen, takken en flexibele buizen kunnen de kinderen bouwwerken maken op het niveau dat bij ze past.

Afwisseling van materiaal geeft nieuwe impulsen en houdt het spel interessant. Er is veel en gevarieerd verantwoord speelgoed. Toch doen we kinderen tekort als ze alleen met speelgoed kunnen spelen. Als kinderen thuis zijn, spelen ze van jongs af aan met gewone gebruiksvoorwerpen: ze slaan met pannendeksels tegen elkaar, ze helpen de was opvouwen en ze doen mee met afwassen. Het 'echte' leven interesseert kinderen in hoge mate. Huishoudelijke voorwerpen bieden andere mogelijkheden en ervaringen dan speelgoed: ze voelen anders aan (bijvoorbeeld een metalen lepel of vergiet), je kunt er meer verschillende dingen mee uitproberen (een paar plastic soepkommen of bekers), je kunt er levensechter mee spelen (schoenen in de verkleedhoek, een telefoon in de huishoek). Daarmee vormt het voor kinderen een belangrijke bron van ontdekken, leren en zelfstandig spelen.
In het tweede deel van het curriculum wordt per activiteitengebied ingegaan op keuze en gebruik van (spel)materiaal.

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: woensdag 8 februari 2012.