De Theorie – Hoofdstuk 8
Structureren: dagritme en groepsindeling
Voorbeeld van een dagindeling van een verticale groep
De tijden zijn bij benadering. De leidsters sluiten aan op de behoeftes van de kinderen
- Tussen 7.45 uur en 9.30 uur worden De kinderen gebracht in een gecombineerde groep. De kinderen mogen vrij spelen en de ouders worden ontvangen met koffie en thee.
- Rond 8.15 uur gaan de leidsters met de kinderen naar hun eigen groep
- Om 9.25 uur gezamenlijk speelgoed opruimen en aan tafel gaan om een cracker te eten en sap te drinken. Er wordt gezongen en gebabbeld. Baby’s zitten er bij of kruipen rond.
- Rond 10.15 uur handen en gezichten wassen, luiers verschonen en daarna een activiteit binnen of buiten. De baby’s gaan ’s morgens slapen (afhankelijk van hun eigen ritme) en spelen verder op een kleed op de grond.
- Rond 11.30 uur handjes wassen en aan tafel.
- Rond 11.30 uur. Zingen, eten en praten.
- Rond 12.15 uur handen en gezichten schoonmaken, verschonen en uitkleden om te gaan slapen. Voor het slapen eerst een verhaaltje voorlezen op het kleed.
- 12.45 uur slapen de meeste kinderen. Kinderen die bijna vier jaar zijn blijven op doen spelletjes. De wakkere baby’s krijgen een fruithap.
- Rond 15.00 uur komen de kinderen uit bed en worden geholpen met verschonen/ aankleden.
- Rond 15.30 uur fruit eten en sap drinken met een liedje. De baby’s die daar aan toe zijn, krijgen de fles aangeboden.
- Tussen 16.00 uur en 18.15 uur vrij spelen of bescheiden activiteiten. De kinderen worden opgehaald, ouders en leidsters voeren korte overdrachtsgesprekken. Om 17.00 uur wordt nog een cracker en sap aangeboden.
- Om 17.45 uur worden de groepen weer per 2 groepen samengevoegd en om 18.15 uur sluit het kinderdagverblijf.
Het dagritme en de groepsindeling van de kinderen zijn, evenals de inrichting van de ruimte, belangrijke pedagogische middelen om het gedrag van kinderen te reguleren. Bij het maken van het dagritme en de groepsindeling wordt rekening gehouden met de volgende belangen van kinderen en volwassenen:
- Individuele bioritmen en een voorspelbaar dagritme in de groep.
- Relaties met leeftijdgenootjes en de groepssamenstelling.
- Behoeften van jonge kinderen en die van volwassenen.
Individuele bioritmen en een voorspelbaar dagritme in de groep
Het bieden van een structuur aan kinderen gebeurt zowel door het volgen van het individuele ritme van het kind als door het aanbieden van een dagritme voor de gehele groep.
Voorspelbaar en flexibel dagritme
Ouders laten hun kind alleen dan met een gerust hart achter als ze weten dat het goed wordt verzorgd en dat de pedagogisch medewerkers oog hebben voor de individuele behoeftes van hun kind. Dat ze aansluiten bij de ritmes van hun kind van spelen en rust; van alleen en samen; van eten en drinken. De kindergroep is een verzameling van individuele bioritmen. Maar de pedagogisch medewerkers zorgen ook voor gezamenlijkheid. Om de dag voorspelbaar te maken voor de kinderen en overzichtelijk voor de medewerkers, gebruiken kindercentra een dagindeling waarin verzorging en speelmomenten elkaar afwisselen. De dagindeling geeft houvast aan kinderen en leidsters. Het is de kunst van het opvoeden in kindercentra om een goede balans te vinden tussen tegemoet komen aan individuele behoeften en het dagritme van de groep.
Baby's
De behoeftes van de kinderen variëren per leeftijdsgroep, al zijn er uiteraard grote individuele verschillen. Baby's vragen veel verzorging, dit geeft veel gelegenheid voor individueel contact tussen baby en leidster. Bij baby's is intensief overleg met de ouders noodzakelijk. Door in het kinderdagverblijf zo veel mogelijk aan te sluiten op het ritme van thuis, wordt de overgang voor de baby iets minder groot. De kunst voor de groepsleiding is om een verbinding te maken tussen wat de baby thuis gewend is en de mogelijkheden van de groep.
Naast verzorging hebben baby's ook gelegenheid nodig om actief bezig te zijn, om te spelen, te ontdekken en te leren. Veel vrijheid om te bewegen, te pakken en rond te kijken is essentieel voor alle baby's. Gedurende de dag maken pedagogisch medewerkers vele malen keuzes die direct te maken hebben met de individuele behoefte van de kinderen. Bijvoorbeeld: kijken naar andere kinderen is leuk en leerzaam en vaak kiest de groepsleiding ervoor om de baby's erbij te laten zitten bij tafelmomenten. Vanwege de belangstelling van baby's voor andere kinderen is daar zeker iets voor te zeggen. Maar als in de verticale groep de dreumesen en peuters aan tafel zitten, is dat ook een ideaal moment om de baby's veilig op de grond te laten scharrelen.
Tijd voor onderzoek.
Humor helpt
De leidsters zitten met de kinderen aan tafel voor de lunch. Hannah zit in konijnenpak in de verkleedhoek.
Leidster: "Hé, ik zie daar een konijntje. Zou dat konijntje ook worteltjes lusten? O, wat hebben we lekkere worteltjes vandaag!". De leidster doet alsof ze op een wortel knabbelt en twee kinderen doen haar na.
Hannah lacht en roept "Jehh" en rent naar de tafel om met de andere kinderen te eten.
Dreumesen
Dreumesen doen minder beroep op individuele verzorgingsmomenten dan baby's. Toch hebben zij veel individueel contact nodig. De dreumes wil alles zelf proberen en doen, maar heeft daar intensieve (onopvallende) begeleiding bij nodig. Dreumesen kunnen maar kort hun aandacht op een ding gericht houden, daarom zorgen pedagogisch medewerkers voor veel aantrekkelijke situaties om te spelen en ervaringen op te doen: even een schootspelletje, begeleiden bij het zoeken en pakken van speelgoed, laten helpen met de was opvouwen, aan de hand een trapje op en af, gelegenheid geven om te bewegen. Dreumesen kunnen meestal niet lang zitten en daar worden ze ook niet zoveel wijzer van. Ze leren vooral door te doen en te ervaren.
Vanaf ongeveer 2 jaar zijn de meeste kinderen in staat om zich aan te passen aan het dagritme van de groep, mits de pedagogisch medewerkers soepel met het dagritme omgaan. Soepel betekent dat ze de kinderen de kans geven te 'ontsnappen' aan het dagritme. Bijvoorbeeld door rustige plekjes te maken waar de kinderen tijdens het vrij spel even kunnen dromen of slapen als ze moe zijn. En door de kinderen tijd te geven bij de overgangen van bijvoorbeeld vrij spelen naar de gezamenlijke lunch, zodat ze hun spel kunnen afmaken.
Tijd om samen op avontuur te gaan...
Peuters
Peuters hebben meestal niet veel individuele verzorging meer nodig, de meeste verzorgingsmomenten vinden samen met de groep plaats. Een peuter zorgt vaak zelf voor individuele contacten met de leidster door tegen haar te praten. Dit geldt niet voor alle peuters, daarom zijn leidsters er alert op dat ook de stille kinderen aan bod komen.
Elke dag moet een peuter ruimschoots de gelegenheid krijgen om zich op alle manieren te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door tussen de middag even rustig iets alleen te doen, als een kind overdag niet meer slaapt. Of met een klein groepje interessante activiteiten doen zoals plaatjes uitknippen en opplakken, een nieuw liedje leren, naar een mooi verhaal luisteren en dat samen naspelen. Met de hele groep lekker lawaai maken buiten. Actief deelnemen aan de bezigheden op de groep zoals tafeldekken, papier halen in de andere groep, helpen bij de verzorging van een baby.
Relaties met leeftijdgenootjes en de groepssamenstelling
Continuïteit in de relaties tussen de kinderen
Kinderen moeten zich veilig kunnen voelen in de groep. Het is belangrijk om met leeftijdgenootjes iets op te kunnen bouwen en voort te zetten. Dat is moeilijk als ze steeds wisselende kinderen tegenkomen. Dan gaat alle aandacht en energie naar het proberen te begrijpen van wat er om hen heen gebeurt. Als kinderen met een vriendje spelen, spelen ze op hoger niveau dan met een onbekend kind. Kinderen die heel weinig komen, bijvoorbeeld een dag per week, blijven soms een buitenstaander in de groep.
In een stabiele groep ontstaan vaste patronen tussen de kinderen. Kinderen die veel samen spelen; kinderen die het slecht met elkaar kunnen vinden; jongensgroepjes en meisjesgroepjes; kinderen die heel geconcentreerd alleen spelen; kinderen die zwerven. Pedagogisch medewerkers zien en herkennen deze patronen in hun groep. Daardoor hebben ze goed zicht op wat er tussen de kinderen gebeurt. Dat geeft handvatten om de relaties tussen de kinderen positief te reguleren en steunen.
Groepsopbouw
De manier waarop de groep is samengesteld, heeft invloed op hoe de groep functioneert. De leeftijdsopbouw van de groep, de verhouding jongens/ meisjes, het aantal kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt; al deze factoren werken door in het dagelijkse leven op de groep. Het is pedagogisch van belang als de pedagogisch medewerkers enige invloed kunnen uitoefenen op de plaatsing van kinderen. Dan kan bijvoorbeeld – na overleg met de ouders - een wat trager kind nog even op de babygroep blijven, en komen er geen twee wenkinderen in één week. De groepsleiding moet immers in staat zijn om aan alle kinderen de benodigde aandacht te geven.
Dit vinden we allebei héél leuk!
Voorkeur voor 'soortgenoten'
Voor een jong kind is een vriend iemand die graag hetzelfde spel doet. In de regel verschillen speelkameraden niet veel meer dan een half jaar in leeftijd. Dreumesen beleven bijvoorbeeld erg veel plezier in het elkaar imiteren en samen rennen, stampen of springen. Oudere peuters zoeken vriendjes van hetzelfde niveau om bijvoorbeeld echt winkeltje te kunnen spelen of een toren te bouwen.
Ook in een verticale groep met kinderen van nul tot vier jaar spelen de kinderen veelal met leeftijdsgenootjes. De twee- en driejarigen en de baby's hebben onderling af en toe kort contact. Bijvoorbeeld als de leidster de baby voedt of verschoont. Maar tijdens het vrije spel zoeken de twee- en driejarigen zelden speelcontact met de baby's. Wel kunnen de jongere en oudere kinderen van elkaar leren door te kijken en imiteren. Als het verschil in ontwikkelingsniveau niet te groot is (niet meer dan 1 jaar leeftijdsverschil), imiteren de jongere kinderen vaak de ouderen. Peuters imiteren ook het zorg- en speelgedrag van de leidsters met de baby's, vooral als de leidsters hen daartoe uitnodigen.
Jongens en meisjes
Vanaf 3 jaar beginnen kinderen een duidelijke voorkeur te ontwikkelen voor het spelen met een kind van dezelfde sekse. Dus de jongens met de jongens en de meisjes met de meisjes. Dit kan sterk verschillen per groep. Als in een groep meer 3-jarige jongens of meer 3-jarige meisjes zijn, kan een sekse dominant worden en problemen geven voor de sekse die in de minderheid is. Pedagogisch medewerkers begeleiden het spel zodat zowel de jongens als de meisjes aan hun trekken komen. De groepsleiding heeft ook respect voor individuele verschillen. Dus voor de 'jongensachtige' meisjes en 'meisjesachtige' jongens.
Aandacht voor elkaar in een verticale groep.
Horizontale en verticale groepen
De groepen in kindercentra bestaan óf uit kinderen van ongeveer gelijke leeftijd (horizontaal) óf uit kinderen van uiteenlopende leeftijden (verticaal). In Nederland wordt meestal gesproken van een verticale groep als de kinderen nul tot vier jaar zijn. Horizontale groepen bestaan veelal uit nul- tot anderhalf of tweejarigen en twee- tot vierjarigen.
Binnen een horizontale groep bestaan vrij grote verschillen tussen de kinderen. Zo heeft een baby van vier maanden andere behoeften dan een dreumes van anderhalf die net kan lopen. Toch zijn er in een horizontale groep voldoende kinderen van hetzelfde niveau om samen spelletjes te doen en groepsactiviteiten aan te bieden.
Een verticale groep vraagt meer organisatie en planning om tegemoet te komen aan de brede range van speel-, verzorgings- en ontwikkelingsbehoeften van nul- tot vierjarigen. Door verschillen in ritmes van de baby's en de oudere kinderen in een verticale groep, is er per dag sprake van afwisseling tussen drukke en rustige momenten. Dat geeft de pedagogisch medewerkers de mogelijkheid om met kleine groepjes kinderen te werken. Het betekent ook dat er voor de medewerkers weinig rustmomenten zijn, omdat het zelden voorkomt dat alle kinderen tegelijk slapen of rusten.
In een horizontale (peuter)groep kunnen pedagogisch medewerkers terugvallen op vaste routines. Dit geeft duidelijkheid aan kinderen en groepsleiding. Wel vraagt het van pedagogisch medewerkers om alert en creatief te blijven.
Een verticale groep vraagt een combinatie van uitstekende planning en veel creativiteit en flexibiliteit.
Er is geen onderzoek bekend waaruit eenduidig blijkt of verticale groepen beter of slechter voor kinderen zijn dan horizontale groepen. Er zijn wel aanwijzingen dat verticale groepen moeilijker zijn voor pedagogisch medewerkers in verband met hogere organisatorische eisen. Groepen met nul- tot vierjarigen komen internationaal gezien weinig voor.
Om tegemoet te komen aan de spelbehoeften van de oudere kinderen in de verticale groep en in de horizontale groepen voor 2- tot 4-jarigen worden soms 3+ groepen gemaakt. In de 3+ groepen kunnen de oudste kinderen uit de verschillende groepen van het kinderdagverblijf op bepaalde uren samen spelen. Samenwerking tussen de leidsters zowel binnen de groep als tussen de groepen is nodig om aan de verschillende ontwikkelingsbehoeftes van de kinderen tegemoet te komen.
De voor- en nadelen van verticale en horizontale staan in het volgende schema:
| Verticaal (0-4 jaar) | Horizontaal (0-2 jaar; 2-4 jaar) |
|---|---|
|
Jongere kinderen kunnen oudere kinderen imiteren.
Oudere kinderen leren omgaan en rekening te houden met jongere kinderen. |
Kinderen ontmoeten leeftijdgenootjes met eenzelfde ontwikkelingsniveau.
Kinderen ontmoeten leeftijdgenootjes die ze kunnen imiteren. |
| Kinderen met beperkingen kunnen makkelijk worden opgenomen door de diversiteit in ontwikkelingsniveaus. | Kinderen met ongeveer hetzelfde ontwikkelingsniveau dagen elkaar uit en stimuleren elkaar. Kinderen spelen het liefste met kinderen met overeenkomstige spelbehoeftes. |
| Leidsters hebben een gevarieerde groep en plannen diverse activiteiten die passen bij verschillende ontwikkelingsniveaus. | Leidsters hebben een homogenere groep en plannen activiteiten die passen bij het ontwikkelingsniveau. |
| Kinderen blijven 4 jaar in dezelfde groep zonder van groep te hoeven wisselen. Dit komt de stabiliteit van de relaties tussen leidsters en kinderen ten goede. | Kinderen maken een wisseling mee als ze anderhalf tot 2 jaar oud zijn. Door de overgang raken ze (tijdelijk) vriendjes kwijt en krijgen ze andere leidsters. |
Vaste leidsters
Het kind ontleent een gevoel van veiligheid aan de vertrouwdheid van de leidster; hij of zij weet hoe deze leidster reageert. De leidster kent het kind omdat ze veel met hem optrekt, hem of haar vaak observeert en een relatie met het kind opbouwt. Daarom wordt in Nederland gewerkt met basisleidsters en stamgroepen. Volgens het Convenant Kinderopvang 2006 zorgen kinderdagverblijven ervoor dat ieder kind maximaal 3 basisleidsters heeft en dat ieder kind altijd minimaal één vertrouwde basisleidster in de stamgroep tegen komt. Andere leidsters zorgen ook voor het kind, maar de basisleidsters zijn de centrale figuren voor kind en ouders.
Stamgroepen, open deuren beleid en groepsoverstijgend werken
Er kunnen grote verschillen bestaan tussen de manier waarop het kinderdagverblijf als geheel is georganiseerd. In sommige kinderdagverblijven wordt vrijwel uitsluitend in vaste kleine (stam-)groepen gewerkt, in andere wordt gewerkt met grotere groepen of kunnen de kinderen een groot gedeelte van de dag buiten de eigen groep spelen. Belangrijk aandachtspunt bij het werken met grote groepen en bij open deurenbeleid is de veiligheid en de overzichtelijkheid voor de kinderen. Kinderen kunnen profiteren van een groot aanbod aan interessante speelmogelijkheden als ze gebruik kunnen maken van meerdere speelruimtes en mee kunnen doen aan een breed aanbod aan activiteiten. Dit werkt alleen als ze zich veilig voelen, zicht hebben op vertrouwde leidsters en kinderen, kortom: als ze de situatie begrijpen en overzien.
Behoeften van jonge kinderen en die van volwassenen
Voor het pedagogisch handelen in het kindercentrum geldt steeds dat er een balans gevonden moet worden tussen de behoeftes van de kinderen individueel, van de groep en van de volwassenen.
Bijvoorbeeld: de werktijden van de leidsters maken het noodzakelijk dat op één groep verschillende leidsters op verschillende dagen werken. De meeste leidsters werken immers in deeltijd, ze hebben lunchpauzes en werkbesprekingen met een stagiair of ouder. Bovendien zijn de openingstijden langer dan de 8-urige werkdag van de leidsters.
Vastedagencombinaties
Kindercentra kunnen vaste combinaties van dagen aanbieden om de stabiliteit in hun groepen te verhogen. De ouders krijgen dan een aantal dagen als pakket aangeboden. Een kinderdagverblijf met drie verticale groepen biedt ouders bijvoorbeeld de volgende mogelijkheden:
- Groep 1: maandag, dinsdag, woensdag of donderdag, vrijdag
- Groep 2: maandag, woensdag, vrijdag of dinsdag, donderdag
- Groep 3: vier of vijf dagen naar keuze
Uit: Welkom in de groep, 2007
Roosters en werktijden van de ouders bepalen de samenstelling van de groep (welke kinderen er op een bepaalde dag zijn). Als de opvangbehoefte van de ouder het enige criterium is om een kind naar het kinderdagverblijf te brengen, dan komen alle kinderen op wisselende dagen. Veel wisseling in de groepssamenstelling brengt met zich mee dat het moeilijk wordt voor jonge kinderen om elkaar te leren kennen en vrienden te maken.
Binnen elke kinderopvangorganisatie worden keuzes gemaakt ten aanzien van de plaatsingsdagen van de kinderen en de werktijden van leidsters.
Het is belangrijk om steeds de belangen van de volwassenen in verband met werk en organisatie goed te onderscheiden van de belangen en behoeften van de kinderen. De organisatorische belangen van de volwassenen mogen nooit prioriteit krijgen ten koste van de behoefte van kinderen aan stabiele relaties.