Laatste wijziging van deze pagina: zondag 8 juni 2008 om 10:11 uur

De Theorie – Hoofdstuk 5

Pedagogische doelen en competenties van kinderen

Elly Singer - Onderzoeker UvA en UU, projectleider Nederlands Curriculum

Ontwikkelen en leren lijkt bij jonge kinderen vanzelf te gaan. Ze worden geboren met een enorm vermogen en motivatie om te leren leren. Kinderen ontwikkelen zich in interactie met hun sociale omgeving. Deels ligt de loop van de ontwikkeling genetisch vast. Maar ouders en pedagogisch medewerkers hebben van meet af aan grote invloed op die ontwikkeling. Ze voeden op en ze leiden de ontwikkeling en het leren in een bepaalde richting.

Op abstract niveau zijn de pedagogische doelen van het curriculum gebaseerd op de Internationale Rechten van het Kind, de Wet op de Kinderopvang en democratische waarden en normen (zie de basis, hoofdstuk 1 ). In dit hoofdstuk vertalen we de abstracte doelen in competenties van kinderen waaraan in kindercentra een bijdrage wordt geleverd. In het praktijkdeel van het curriculum worden deze competenties verder geconcretiseerd naar het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van 0- tot 4-jarigen, en naar verschillende leergebieden.

Leerrijke omgeving

Leeftijdgenootjes en een leerrijke omgeving.
Foto: Ruben Keestra - 156

In dit hoofdstuk gaan we achtereenvolgens in op:

Pedagogische doelen van kindercentra

In de Wet op de Kinderopvang worden 4 doelen genoemd: veiligheid; persoonlijke competenties; sociale competenties; waarden en normen. Het doel 'veiligheid' is in hoofdstuk 2 behandeld; fysieke en emotionele veiligheid zijn voorwaarden voor welzijn en ontwikkeling die gewaarborgd moeten zijn. De persoonlijke competenties hebben we verder uitgewerkt in: emotionele, cognitieve, communicatieve, motorisch-zintuiglijke en creatief-beeldende competenties.

Onder 'competentie' wordt verstaan een samenhangend geheel van: motivatie en houding; kennis en inzicht; en vaardigheden. Bijvoorbeeld de competentie 'zelfredzaamheid'. Deze competentie heeft betrekking op de motivatie en houding om voor zichzelf te willen zorgen; op kennis en inzicht hoe je voor jezelf kunt zorgen; en op de daarbij behorende praktische vaardigheden.

Soorten van competenties

Zo komen we tot de volgende soorten van competenties:

  • Persoonlijke competenties:
    • Emotionele competenties
    • Cognitieve competenties
    • Communicatieve competenties
    • Motorische en zintuiglijke competenties
    • Creatief beeldende competenties
  • Sociale competenties
  • Morele competenties

Holistische benadering

Voelen, ervaren, imiteren, samen doen, leren…
Foto: Ruben Keestra - 157

Holistische benadering

Voelen, ervaren, leren, spelen, praten, samen dingen doen, fantasie, denken, interactie zijn bij kinderen een geïntegreerd geheel. Daarom is het curriculum gebaseerd op een holistische benadering van het kind. Voor het onderscheid in verschillende competenties geldt hetzelfde als voor de onderscheidingen tussen basale behoeften en manieren van leren van kinderen: ze hangen samen en overlappen elkaar grotendeels. Een kind dat racet op haar fietsje oefent haar grove motoriek. Maar tegelijkertijd kijkt ze naar haar vriendjes, fietsen die ook mee? Moet ze even wachten? Als haar fietsje tegen dat van een ander kind aan dreigt te botsen, heeft ze haar sociale competenties nodig om te onderhandelen: wie krijgt voorrang, wie moet van het pad af om de ander voor te laten gaan? Door haar persoonlijke competenties – zelfvertrouwen – geeft ze niet meteen toe. Maar haar morele competenties brengen haar ertoe om 'om de beurt' voor te stellen. Zij wijkt uit, zodat het andere kind kan doorfietsen. Ze heeft voldoende ontwikkelde cognitieve competenties om zich een toekomst voor te stellen 'straks krijg ik voorrang'.

Profilering en keuzes van ouders

Het curriculum geeft een breed overzicht van de competenties die 0- tot 4-jarigen kunnen ontwikkelen in kindercentra. Een kinderopvangorganisatie kan hierbinnen eigen accenten leggen. De keuze voor en accentuering van bepaalde pedagogische doelen is niet alleen een zaak van de organisatie en de pedagogisch medewerkers. Dit moet gebeuren in samenspraak met de ouders of met toestemming van de ouders. Als kindercentra hun pedagogische accenten en keuzes duidelijk in hun beleidsplan beschrijven, kunnen ouders kiezen voor opvang die overeen komt met hun eigen waarden en normen.

Profilering

Ouders kiezen een kinderdagverblijf dat ze aanspreekt.
Foto: Carla Harders - 158

Om een voorbeeld te noemen: waarschijnlijk is iedereen het erover eens dat kinderen als individu ruimte moeten krijgen om hun persoonlijke competenties te ontwikkelen, en dat ze ook moeten leren om zich aan sociale regels te houden. Maar ouders en kinderopvangorganisaties kunnen verschillen in de verhouding die ze willenaanhouden tussen individuele ruimte en leren van sociale regels. Een organisatie kan zich profileren op het volgen van het bioritme van individuele kinderen en nauwelijks werken met een vast dagritme. Maar men kan ook kiezen voor veel groepsrituelen en een helder dagritme, waardoor kinderen zich leren voegen in het geheel en rekening leren houden met elkaar. Kindercentra kunnen zich profileren door keuzes te maken op bijvoorbeeld het gebied van creativiteit, buitenspel, taalontwikkeling of muziek.

De basisschool

De ontwikkeling van kinderen hoort een doorgaande lijn te zijn. Jonge kinderen moeten zich breed en in eigen tempo kunnen ontwikkelen. Maar kinderen willen ook groot worden. Ze moeten erop kunnen vertrouwen dat hun ouders en leidsters hen de vaardigheden en kennis leren die ze nodig hebben bij het volgende stapje in hun ontwikkeling. Daarom behoort de voorbereiding op de basisschool tot de doelen van de kindercentra. Overleg tussen de pedagogisch medewerkers in peuterspeelzaal en kinderdagverblijf en de leerkrachten van de basisschool is heel belangrijk. Voorschoolse educatieve programma's kunnen, mits goed aangepast aan en geïntegreerd in de pedagogisch aanpak van het kindercentrum, een verrijking zijn.

Relatie tussen basale behoeften en doelen

Bij jonge kinderen lijken de basale behoeften en de opvoedingsdoelen bijna hetzelfde. Wat kinderen nodig hebben wil je ze toch bieden? Ouders en pedagogisch medewerkers ervaren hun opvoedingsdoelen vaak als vanzelfsprekend en natuurlijk. Maar dat is alleen zo binnen de eigen cultuur of sociale omgeving. Bij vergelijking van verschillende culturen en sociale groepen blijkt dat ouders en pedagogisch medewerkers op verschillende manieren tegemoet kunnen komen aan de basale behoeften van kinderen.

Een voorbeeld. Nederlandse ouders hechten veel sterker aan Rust en Regelmaat in de opvoeding van baby's dan Amerikaanse ouders. Amerikaanse ouders en pedagogisch medewerkers vinden dat ze zich zo veel mogelijk moeten laten leiden door de signalen van het individuele kind. Terwijl Nederlandse ouders en pedagogisch medewerkers meer gericht zijn om de baby te wennen aan een bepaald voeding- en slaapschema. In de Amerikaanse opvoeding wordt een sterker accent gelegd op individualistische waarden.

In de praktijk moeten pedagogisch medewerkers ook vaak keuzes maken tussen doelen. Bijvoorbeeld tijdens de lunch met 2- en 3-jarigen. Jonge kinderen hebben behoefte aan autonomie en sociale relaties. Daarmee houden doelen verband als: de competenties 'zelfredzaamheid', 'meedoen met de groep' en 'communiceren'. Als de pedagogisch medewerkers de nadruk leggen op 'zelfredzaamheid', leren ze de kinderen zelf smeren en het brood in stukjes snijden. Ze geven dan veel aanwijzingen en letten goed op of de kinderen veilig met de messen omgaan. Als de pedagogisch medewerkers de nadruk willen leggen op de sociale behoeften en vaardigheden van de kinderen, kunnen ze zelf het brood voor de kinderen klaarmaken en daarmee alle aandacht geven aan samen praten en grapjes maken.

Overzicht van competenties

Alle kennis en vaardigheden die kinderen in hun eerste jaren opdoen, hangen samen en overlappen elkaar. Op hoofdlijnen worden de volgende competenties onderscheiden:

Persoonlijke competenties

Emotionele competenties.

Hieronder vallen competenties die te maken hebben met de manier waarop het kind zichzelf ervaart en met de wijze waarop hij of zij emoties kan reguleren:

  • bewustwording van zichzelf in relatie tot belangrijke anderen;
  • zelfvertrouwen: vertrouwen op eigen kracht en vermogen;
  • vermogen om emoties te reguleren door ze te uiten op een sociale manier;
  • controle hebben over impulsen, frustratietolerantie;
  • geconcentreerd (alleen) spelen en vasthouden aan een plan; doorzettingsvermogen;
  • positieve levenshouding: plezier in eigen lijf en leven, plezier in het omgaan met anderen.
Motorische en zintuiglijke competenties.

Hierbij gaat het om competenties die te maken hebben met zintuiglijke en motorische ervaringen en vaardigheden:

  • grof motorische vaardigheden (kruipen, lopen, rennen);
  • fijn motorische vaardigheden;
  • bewegen op muziek en maken van ritmische bewegingen;
  • plezier in bewegen; gevaar onderkennen en niet angstig zijn;
  • waarnemen van en plezier in zintuiglijke ervaringen als voelen, ruiken, horen, proeven, zien;
  • zelfredzaamheid bij persoonlijke verzorging.
Cognitieve competenties.

Hierbij gaat het om competenties op het gebied van verstandelijke vermogens:

Onderzoekend

Een onderzoekende houding.
Foto: Tessa van Schijndel - 159
  • kennis en inzicht in de sociale wereld;
  • empathie: begrijpen en benoemen van emoties en bedoelingen, perspectief nemen;
  • begrijpen van verhalen en wat geschreven taal is;
  • kennis en inzicht in de natuur; dieren, planten, elementen, seizoenen;
  • kennis en inzicht in de fysieke wereld en wetmatigheden;
  • kennis van verhoudingen, verzamelingen, hoeveelheden;
  • onderzoekende houding, nieuwsgierigheid;
  • vaardigheden en plezier in bouwen;
  • vaardigheden om problemen op te lossen; logisch denken.

Crackers eten

Communiceren gaat prima tijdens het samen crackers eten.
Foto: Loes Kleerekoper - 160

Samen krijten

Samen krijten bij het buiten spelen.
Foto: Ruben Keestra - 161
Communicatieve competenties.

Hieronder verstaan we competenties die te maken hebben met het contact maken met anderen en uitdrukking geven aan eigen gedachten en gevoelens:

  • praten en communiceren met anderen, eventueel tweede taalverwerving;
  • non verbale communicatie begrijpen en gebruiken;
  • beurt nemen en geven;
  • gemotiveerd zijn om anderen te begrijpen en om jezelf begrijpelijk te maken;
  • luisteren naar een verhaal;
  • kijken naar en begrijpen van plaatjes en foto's;
  • begrijpen van de betekenis van geschreven taal.
Creatieve en beeldende competenties.

Hieronder verstaan we competenties die te maken hebben met uitdrukken van gevoelens en gedachten, anders dan in taal:

  • dans en beweging;
  • zingen en muziek maken;
  • tekenen, verven en beeldende uitingen;
  • bouwen en constructies van klein en groot materiaal;
  • expressie van zorg voor andere mensen, dieren en planten.
Het gevoel van “wij-samen” benoemen

Cas (3 jaar, 5 maanden):
Jij bent toch mijn vriend!

Chantal (2 jaar, 11 maanden):
Ja!

Cas:
En Bob is ook mijn vriend, hoor.

Chantal:
Ik ben ook, ik ben ook, ik ben ook Leannes vriend.

Bron: Singer, E. en de Haan, D. (2006)
162

Sociale competenties

Hieronder verstaan we competenties die te maken hebben met de sociale omgang met anderen. We denken daarbij aan:

  • vertrouwen in anderen en vaardigheden om hulp te vragen en ontvangen, besef van verbondenheid en afhankelijkheid;
  • verbondenheid met familie en de groep in het kindercentrum, bewustwording van identiteit, sekse, leeftijd en persoonlijke kenmerken;
  • anderen aanvoelen en anticiperen op elkaars gedrag, imiteren;
  • initiatief nemen en volgen en leiding accepteren;
  • geven en ontvangen van hulp;
  • positief bijdragen aan het geheel;
  • samen spelen en meedoen met de groep, delen met anderen;
  • problemen en conflicten oplossen;
  • zorg voor de natuur;
  • spirituele of godsdienstige gevoelens, bewondering voor de natuur en schoonheid.

Morele competenties

Hierbij denken we aan competenties die te maken hebben met het omgaan met normen en waarden. We denken daarbij aan:

  • besef dat eigen handelen iets te weeg kan brengen in de wereld, inzicht in oorzaak en gevolg en consequenties van handelen;
  • motivatie om anderen ter wille te zijn en om niemand pijn te doen;
  • leren van goede manieren;
  • leren van sociale regels;
  • vermogen om te gehoorzamen;
  • vermogen en moed om voor zichzelf op te komen;
  • controle over eigen gedrag en emoties;
  • morele gevoelens als trots, schuld en schaamte;
  • omgaan met en respect voor diversiteit.
Voor en tegen checklists en testjes

Fictieve dialoog tussen ouders:

Ouder voor: In de kinderopvang werken professionals. Ik zou me verraden voelen als achteraf op de basisschool blijkt dat mijn kind een fikse ontwikkelingsachterstand heeft.

Ouder tegen: Maar kinderen worden steeds meer opgejaagd. Ik vind dat kleine kinderen gewoon kind moeten kunnen zijn.

Ouder tegen: Echte professionals hebben toch geen toetsen en tests nodig, die kennen de kinderen goed. Die weten precies welke kinderen extra steun nodig hebben.

Ouder voor: Precies, daar heb je gelijk in. Die ervaren leidsters hebben een beeld van wat je van kinderen op een bepaalde leeftijd mag verwachten. Die hebben geen test of toets nodig. Die toetsen en testen zonder dat ze er zelf erg in hebben. Onervaren leidsters hebben die testjes nodig om het te leren.

Ouder tegen: Wat ik erop tegen heb, is dat je door een testje nooit een goed beeld krijgt. Het geeft een momentopname.

Ouder voor: Dat is alleen als die testjes verkeerd gebruikt worden, door leidsters die niet echt naar de kinderen kijken.

Ouder tegen: Wat mij erin stoort, is dat tegenwoordig kinderen al vanaf 3 maanden een voorgeprogrammeerde ontwikkeling moeten volgen. Met z’n allen voor onze consumptiemaatschappij.

Ouder voor: .......

163

Ontwikkelingstests en het unieke kind

Het concretiseren van opvoedingsdoelen – wat kinderen op een bepaalde leeftijd moeten kunnen en weten – is een netelig vraagstuk bij het maken van een landelijk curriculum. Als we kijken naar onze buurlanden wordt daar heel verschillend mee omgegaan. In het landelijke curriculum van Engeland (zie hun website ) worden gedetailleerde beschrijvingen gegeven van wat kinderen moeten leren aan vaardigheden en kennis, per leeftijdscategorie – met een interval van 8 maanden – en per ontwikkelingsgebied. Terwijl in het Ierse landelijke curriculum (zie website ) geen concrete doelen worden gegeven, omdat daarin de diversiteit en het recht op ontwikkeling in eigen tempo centraal staan.

We hebben in dit Nederlands Curriculum ervoor gekozen om geen gedetailleerde beschrijvingen te geven van eindtermen die moeten worden behaald. We willen jonge kinderen een rijk scala aan leerervaringen bieden. Gedetailleerde schema's leiden vaak tot een schoolse benadering van jonge kinderen en een te sterke gerichtheid op het behalen van allerlei doelen. Hierdoor worden jonge kinderen en hun leidsters onnodig in een keurslijf gedrukt en beperkt in hun speelruimte. Zoals we al eerder schreven, de ontwikkeling en leerwegen van kinderen zijn vaak heel verschillend. Zowel qua tempo als qua inhoud. Sommige kinderen zullen nooit echte wildebrassen worden die genieten van klimmen en wild spel. Anderen zullen slechts met moeite geduld opbrengen voor puzzels, of spelen het liefst alleen of met één bepaalde vriend. Dergelijke variaties zijn normaal. Jonge kinderen hebben het nodig om hierin te kunnen kiezen en in zich hun eigen tempo te ontwikkelen. Voor het juiste evenwicht tussen het kind volgen en niets doen enerzijds en actief stimuleren en interveniëren anderzijds is wijsheid nodig. Deze wijsheid wordt het best gegarandeerd door overleg met collega's en de ouders van het kind.

De beschrijving van competenties moet leidsters en ouders inspireren. Door ze te benoemen, wordt de aandacht gevestigd op vaardigheden die anders wellicht over het hoofd waren gezien. In het tweede deel van het curriculum wordt bij de diverse zorg-leeractiviteiten en speel-leeractiviteiten verwezen naar observatieschema's en kindvolgsystemen die zo'n inspirerende functie kunnen vervullen: bronnen van verrijking voor het observatievermogen van leidsters en ouders.

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: woensdag 8 februari 2012.