Laatste wijziging van deze pagina: zondag 8 juni 2008 om 08:57 uur

De Theorie – Hoofdstuk 4

Ontwikkeling en leren van jonge kinderen

Elly Singer - Onderzoeker UvA en UU, projectleider Nederlands Curriculum

De opvoeding in de kinderopvang is gebaseerd op kennis van de ontwikkeling van jonge kinderen vanaf de babytijd tot de kleuterperiode en op de manieren waarop jonge kinderen leren.

Grondleggers van de hedendaagse ontwikkelingspsychologie zijn Piaget, Vygotsky, Erikson en Bowlby. Dit hoofdstuk is gebaseerd op inzichten zoals verwoord in de handboeken Ontwikkelingspsychologie die gangbaar zijn op Nederlandse universiteiten, zoals Cole, Cole & Lightfoot (2006) of Berk (2008); deze inzichten zijn verrijkt met onderzoek in de kinderopvang. Achtereenvolgens worden kernideeën behandeld over:

Vertrouwd

Veilig bij de vertrouwde leidster.
Foto: Loes Kleerekoper - 143

Ontwikkeling van emotionele banden

Het ontwikkelen van een speciale band met de ouders begint meteen na de geboorte, en wellicht al voor de geboorte door gewenning aan de stem van de moeder en geluiden in haar omgeving. Baby's van enkele dagen kunnen de geur van de melk van hun moeder al onderscheiden van die van andere moeders. In die allereerste dagen ontwikkelen de baby en zijn of haar belangrijkste verzorgsters gezamenlijke patronen van aanleggen aan de borst, geven van het flesje en een ritme van drinken, rusten en boertjes laten. De allereerste band van baby's met ouders en verzorgers is gebaseerd op zintuiglijk herkenning en op vertrouwde handelingspatronen. Wat 'voegt' is goed en vertrouwd. Rond zes weken kunnen de meeste ouders genieten van het eerste lachje. Aanvankelijk lacht het kind naar iedereen even veel, maar al snel lacht de baby meer naar de ouders en vertrouwde mensen (broertjes, zusjes, grootouders) dan andere mensen.

Naarmate het kind meer specifieke gewoontes met de belangrijkste verzorgsters ontwikkelt en duidelijker onderscheid kan maken tussen 'vertrouwd' en 'niet vertrouwd' ontstaan de eerste vormen van eenkennigheid en scheidingsangst. Een baby van vier maanden protesteert in de regel niet als hij of zij een dagje door een vreemde wordt verzorgd. Ten minste: als deze verzorgster of leidster goed weet aan te sluiten bij de ritmes en gewoontes van het kind. Maar met zes maanden hebben veel baby's al een duidelijke voorkeur voor hun eigen moeder of vader. En met acht en negen maanden protesteren veel baby's met hard huilen als de ouder hen achterlaat bij een oppas of leidster. Het protest tegen scheiding of de angst voor scheiding is een teken dat er zich een bijzondere band heeft ontwikkeld tussen de vaste verzorgers en het kind. Het kind is zover ontwikkeld op cognitief gebied dat het de bijzonderheid van de relatie onderkent. Tegelijkertijd is de baby cognitief nog niet ver genoeg ontwikkeld om te beseffen dat pappa of mamma niet helemaal weg is. De angst van de baby is dat als pappa en mamma er niet zijn, dat ze dan helemaal verdwenen zijn en dat ze hem of haar hebben verlaten.

De leidster als hechtingsfiguur

In de kinderopvang leert de baby dat de leidsters ook goed voor hem of haar zorgen als pappa of mamma er niet zijn. De leidsters nemen dan de functie van hechtingsfiguur over. Pas later zijn kinderen in staat om het beeld van hun ouders vast te houden tijdens hun afwezigheid. Dat heeft te maken met de ontwikkeling van hun representatief vermogen; dat wil zeggen het cognitieve vermogen om je een voorstelling (representatie) te maken van iets wat in het hier en nu afwezig is. Gedurende hun tweede en derde levensjaar ontwikkelen de meeste kinderen geleidelijk aan representatieve vaardigheden waardoor ze symbolisch contact kunnen houden met hun afwezige ouders.

Wennen en scheidingsangst

Voor de kindercopvang betekent dit dat de meeste kinderen jonger dan zes maanden makkelijk wennen, ten minste als de leidsters sensitief en responsief op de baby reageren. Tussen zeven maanden en anderhalf jaar is het voor veel kinderen moeilijker om te wennen. Vooral als ze midden in een periode van scheidingsangst zitten en een grote behoefte hebben aan nabijheid van de ouders. De meeste kinderen wennen na enkele dagen tot enkele weken. De ouders blijven dan even belangrijk, maar de baby leert om de leidster als vervangster te gebruiken. De baby leert dat de leidster ook komt als hij of zij huilt, ook met hem of haar praat en grapjes maakt, ook vieze luiers verschoont, ook knuffelt.

Kinderen die voor hun zesde maand met de opvang beginnen, kunnen toch scheidingsangst ontwikkelen rond negen of tien maanden. Ook deze kinderen worden zich bewust van het bijzondere van hun relatie met hun ouders en kunnen angstig worden als die weggaan. De band die baby's ontwikkelen met hun leidster kan verschillend zijn. Minimaal moet het kind bij alle leidsters – ook de invalsters – het vertrouwen hebben dat ze goed voor hem of haar zorgen en dat ze plezierig contact maken. Tussen de vaste leidsters en het kind ontstaat een veel persoonlijker band. Sommige kinderen kunnen heftig reageren met boosheid of verdriet als hun lievelingsleidster de groep verlaat of zij zelf overgaan naar een andere groep. Het opbouwen van vertrouwensrelaties, het wennen en het afscheid nemen zijn centrale thema's in het dagelijkse pedagogische handelen in de kinderopvang.

Actief leren in eigen tempo met vertrouwde mensen

Jonge kinderen leren voortdurend. Ze hebben een aangeboren drang tot ontdekken. Alle basale behoeftes van kinderen worden zichtbaar in de manier waarop ze leren (holisme). Ze willen de wereld snappen (cognitieve behoefte); ze doen dat in relatie met hun opvoeders en andere kinderen (sociaal-emotionele behoefte); ze gebruiken daarbij hun hele lijf (motorische behoefte); ze letten op hun opvoeders of het goed, slecht of gevaarlijk is wat ze doen (morele behoefte); ze willen wat ze meemaken en leren delen (communicatieve behoefte). Door zelf doen, te ontdekken wat er allemaal mogelijk is en problemen op te lossen, krijgt het kind inzicht in hoe de wereld in elkaar steekt en leert het de mogelijkheden voor expressie van gedachten en gevoelens te gebruiken.

Autonomie en structuur

Jonge kinderen geven allerlei signalen om duidelijk te maken wat ze voelen, denken en willen. Ze moeten de ruimte krijgen voor autonomie, een actieve inbreng. Enerzijds hebben ze behoefte aan structuur en duidelijkheid; aan een leidster die duidelijke grenzen stelt. Anderzijds moeten kinderen binnen die duidelijke structuur zelf kunnen ontdekken en initiatieven nemen. Leidsters zijn per definitie machtiger dan een jong kind. Als een leidster teveel initiatief naar zich toe trekt, maakt ze het kind machteloos. Het kind moet dan de leidster volgen en aanvoelen wat de leidster bedoelt, in plaats van andersom.

Als het kind in zijn eigen tempo een beweging mag oefenen, heeft dat het voordeel dat het die beweging pas zal gaan uitvoeren als het er aan toe is en zich er voldoende zeker in voelt. Dat heeft weer de uitstekende kwaliteit van zijn nieuwe prestaties tot gevolg. Het is duidelijk dat deze kwaliteit, die het kind het gevoel van totale zekerheid geeft, helpt zijn zelfvertrouwen te ontwikkelen.
Anna Tardos en Myriam David,
in: De visie van Emmi Pikler
144

Leren door bewegen en doen

Kinderen zijn vanaf hun geboorte fysiek ingesteld. Ze hebben plezier in bewegen, doen veel verschillende ervaringen op en uiten hun gevoelens ook via bewegingen. Het is een natuurlijke manier voor kinderen om het eigen lijf, zichzelf en andere kinderen te leren kennen, contact te hebben met andere kinderen in de groep, grenzen te ervaren en een gevoel van eigenwaarde op te bouwen.

Kinderen leren volop door te bewegen. Dagelijkse fysieke activiteiten zijn fundamenteel voor het welbevinden van kinderen en een gezonde groei en ontwikkeling. Ook het spelen is grotendeels fysiek. Ze doen ervaringen op zoals vlug bewegen of buiten adem raken en proberen dingen uit door te doen. Al doende ontdekken en verkennen ze de wereld.

Glijbaan

Peuters experimenteren op de glijbaan.
Foto: Ruben Keestra - 145

Spelend leren

Spelen is een betekenisvolle ervaring voor jonge kinderen die voldoening en plezier geeft. Voor kinderen is spelen de natuurlijke manier om dingen te leren. We kunnen verschillende soorten spel onderscheiden: bewegingsspel, ontdekkend spel, fantasiespel, samenspel en buitenspel. Binnen deze soorten van spel maken kinderen een ontwikkeling door. Zo speelt een baby vooral door bewegingen, geluiden en ervaringen van het eigen lichaam en de omgeving en door spel met zijn of haar ouders en leidsters samen. Samenspel met andere baby's betekent lachen naar elkaar, geluidjes nadoen en eenvoudige interacties. Dreumesen doen graag bewegingsspel, ze rennen en fietsen achter elkaar aan. Vanaf ongeveer twee jaar zie je fantasiespel ontstaan, waarbij een kind los komt van het hier en nu. Het is het begin van voorstellen en abstract denken. Driejarigen kunnen al spelen met rollen en uitgebreidere verhalen. Bij het bewegingspel beginnen ze ook te experimenteren met de zwaartekracht en de relaties tussen snelheid en weerstand. Denk maar aan alle experimenten op de glijbaan en met de schommels.  Peuters kunnen ook steeds beter hun gedrag op elkaar afstemmen.

Vegen

“Ik kan al vegen, goed hè? En nu worden de baby’s niet vies als ze over de grond kruipen.”
Foto: Danielle Heesbeen - 146

Meespelen en meehelpen: participerend leren

Een groot deel van de interacties tussen leidsters en kinderen vindt plaats tijdens het verzorgen. Het verzorgen biedt ook unieke contact- en leermogelijkheden. Speels praten met de baby tijdens het voeden, uitleggen wat er gebeurt, samen spelletjes maken met geluidjes.

Autonomie en 'zelf doen'

De dreumesen leren naar de wc gaan, hun handjes wassen. De peuters leren hun boterham smeren en drinken inschenken. Jonge kinderen willen alles graag zelf leren doen. Naast verlangen naar zorg is het verlangen naar zelfredzaamheid, 'zelf doen' ook aangeboren.

Zone van naaste ontwikkeling

Als de leidster meespeelt, kunnen jonge kinderen op een hoger niveau functioneren. Volgens Vygotsky functioneren kinderen dan in 'de zone van naaste ontwikkeling'. Een voorbeeld. Tweejarigen willen graag samen spelen maar kunnen hun gedrag nog moeilijk op elkaar afstemmen. Met een beetje hulp van de leidster kunnen ze dat wel. De leidster kan bijvoorbeeld om de beurt een bal naar de kinderen rollen. Zo biedt ze structuur en voorbeeldgedrag dat de kinderen kunnen imiteren: met als resultaat samenspel. De kinderen functioneren dan op het niveau waarnaar ze verlangen maar dat ze zonder hulp niet kunnen bereiken. Samen met de leidsters kunnen ze nieuwe vaardigheden leren, zoals om de beurt, iets vragen, elkaar niet storen.

Participerend leren

Groepsleiding helpt kinderen om te functioneren in hun zone van naaste ontwikkeling door met het kind samen te leren of werken. De leidster is dan een 'model' voor de kinderen dat ze kunnen imiteren. Deze vorm van leren wordt ook wel 'participerend leren' genoemd. Hierbij kunnen twee vormen worden onderscheiden.

  • Het kind participeert in het werk of in activiteiten van volwassenen. Jonge kinderen helpen bijvoorbeeld graag. Meehelpen in de keuken, helpen met boterhammen smeren, tafeltjes schoonmaken, een baby de fles geven of boodschappen doen in de supermarkt. Kinderen ervaren dit vaak niet als spel, maar als werk of een echte bijdrage leveren.
  • De leidster participeert in het spel van de kinderen. Leidsters kunnen ook nieuwe impulsen aan het spontane spel geven door een verhaalstructuur aan te bieden. Doordat de leidster een verhaal vertelt, spelmateriaal aanbiedt en meespeelt, kunnen tweejarigen samenspelen; iets wat ze zonder die ondersteuning nog niet goed kunnen.

De omgeving: uitdaging en rust

Jonge kinderen leren actief met heel hun wezen, met hun handen, hart en hoofd. Ze leren handelend, proevend, voelend, horend en kijkend. Ze 'be-grijpen' de werkelijkheid. Ze denken en leren op senso-motorisch niveau (Piaget). De openheid van jonge kinderen voor prikkels maakt dat de omgeving een heel grote invloed op hen heeft. Daarom zorgen de pedagogisch medewerkers dat:

  • Kinderen niet overprikkeld worden door: veel geluid; veel door elkaar lopende kinderen; veel harde kleuren; veel keuzemogelijkheden. Bij overprikkeling worden kinderen voortdurend afgeleid en onrustig en komen ze tot niets.
  • Kinderen niet te weinig prikkels krijgen. Als er te weinig uitdagende prikkels zijn in de omgeving gaan ze zich vervelen.
  • Overprikkelen en onderstimulering treden vaak op als kinderen te veel van hetzelfde krijgen aangeboden.
  • Kinderen worden geprikkeld op hun niveau. Dat betekent dat er een juiste balans is tussen het vertrouwde – dat voelt veilig – en het nieuwe dat uitdaagt tot onderzoeken en spelen.
  • Kinderen rust en privacy kunnen vinden om helemaal in hun spel op te gaan. Een plekje om uit te rusten van alle indrukken hebben alle jonge kinderen hard nodig. De grote openheid voor hun omgeving en het intense leren kost heel veel energie.

Vertrouwde rituelen

“Klom ik op een ladder naar het raamkozijn”.
Vertrouwd, samen en ieder op zijn eigen manier.
Foto: Danielle Heesbeen - 147

Leren door vertrouwde patronen en rituelen

Om kinderen niet te overprikkelen zorgen de leidsters voor vertrouwde patronen en rituelen. Door de herhaling van opeenvolgende handelingen snappen kinderen wat er gaat gebeuren. Een vaste structuur in de dag maakt dat het kind weet wat er gaat gebeuren en niet in een chaos leeft. Tegelijkertijd kan het kind door die structuur juist zelf variaties maken. Voorbeelden van herhaalde handelingspatronen zijn rituelen, bekende liedjes met bewegingen en spelletjes als kiekeboe. Kinderen zijn vaak actief betrokken bij het maken van rituelen en herhalingsspelletjes. Dergelijke spelen doen een appel op hun natuurlijke drang tot imiteren. Het zingen van liedjes en bewegingspelletjes is een goede manier om met dreumesen een gevoel van 'samen' te scheppen. Als ze veel imitatiespelletjes met de leidsters doen, is de kans groot dat ze dat zelf ook gaan doen in hun spel met andere kinderen. Hiermee levert de leidster een belangrijke bijdrage aan het vermogen van 2- en 3-jarigen tot samenspel.

Volwassenen lachen in de regel om dingen die afwijken, gek of onverwacht zijn. Bij heel jonge kinderen is humor vaak het uitkomen van een verwachting, zoals bij kiekeboe. Naarmate kinderen zich meer vertrouwd voelen, lachen ze, net als volwassenen, ook als een bekend patroon wordt doorbroken. Ze gaan bijvoorbeeld rare woordjes zeggen, rare gezichten trekken, een beker met hun tanden vastpakken. Lekker stout zijn, daar kunnen driejarigen samen veel plezier in hebben.

Nadoen

Kinderen leren door elkaar na te doen.
Foto: Loes Kleerekoper - 148

Kijken en imiteren

Jonge kinderen besteden een groot deel van de dag aan kijken om te kunnen begrijpen wat er gebeurt: 'snapkijken'. Op andere momenten zie je ze nadoen wat ze hebben gezien. Voor jonge kinderen is imitatie - doen zoals de ander- zowel een manier van leren als van communiceren. Je laat merken dat je een ander kind snapt. Recent onderzoek toont aan dat het vermogen tot imiteren de basis vormt voor wederzijds begrip en empathie. Kinderen – mensen – blijken over 'spiegelneuronen' te beschikken. Als ze geboeid kijken naar gedrag van anderen worden hersenen geactiveerd die ook geactiveerd zouden worden als ze dat gedrag zelf zouden vertonen. In hun hersenen wordt als het ware het gedrag van de ander gespiegeld, geïmiteerd. Op basis van dit onderzoek en gedragsobservaties van jonge kinderen nemen we aan dat imitatie een basisvaardigheid is die ten grondslag ligt aan alle vormen van menselijke communicatie. Jonge kinderen imiteren zowel volwassenen als andere kinderen, maar andere kinderen lokken sterker imitatie uit dan volwassenen. Waarschijnlijk omdat jonge kinderen voor het begrijpen van andere kinderen sterker zijn aangewezen op imitatie dan in contact met een volwassene. Door het andere kind na te doen, laat je merken dat je de ander begrijpt. Bovendien doen andere kinderen dingen die leuk zijn en makkelijk te imiteren, zoals springen, gekke woordjes zeggen, rondjes rijden op je fietsje.

Jonge kinderen kijken vaak naar de leidsters om van haar gezicht af te lezen wat ze vindt. Dit 'vraagkijken' is een belangrijke manier om van de leidster te leren over de omgeving (veilig – onveilig) en over zichzelf (fout – goed). Het kind kan zo op afstand contact houden met de leidster en zich veilig voelen.

Exploreren en ontdekken

Jonge kinderen zijn ook kleine onderzoekers die al handelend experimenteren. Piaget noemde dat senso-motorisch denken. In de ontwikkeling van jonge kinderen gaat het senso-motorisch denken (handelend denken of 'logic-in-action') vooraf aan het verbale denken. Een baby kan bijvoorbeeld een voorwerpje op de grond gooien; een plofje horen; een nieuw voorwerpje pakken en gooien; en... weer een plofje horen. Deze baby test als het ware een hypothese: iets laten vallen → plofje. Maar deze baby doet dat handelend, en kan niet verwoorden dat hij of zij een hypothese test. Uit het experimenterend handelen van jonge kinderen blijkt een hoger niveau van denken over oorzaak en gevolg dan ze kunnen verwoorden.

Onderzoeken

Voelen en onderzoeken.
Foto: Carla Harders - 149

In de fysieke omgang met hun omgeving doen kinderen in het dagelijkse leven en tijdens het spel ervaring op met zwaartekracht, ruimte, verhoudingen, hoeveelheden en tellen. Karakteristiek voor jonge kinderen is het herhalen van dezelfde bewegingen met kleine variaties en kijken wat dat doet. Bijvoorbeeld steeds van de glijbaan glijden, op de billen, op een matje, met schoenen op de glijbaan, op de buik. En uitvinden hoe je het snelste kunt glijden, wat weerstand geeft en hoe de wereld er anders uitziet als je op je buik glijdt.

Jonge kinderen onderzoeken ook de effecten van hun handelen op hun sociale omgeving. Een baby van 6 maanden snapt al dat als hij of zij lacht en geluidjes maakt, de ouder of leidster meedoet. De baby zoekt dan al naar manieren om de aandacht van de ouder of leidster vast te houden. Kinderen ontdekken ook veel in hun omgang met andere kinderen. Bijvoorbeeld de effecten van hun handelen als ze graag willen meespelen. Als de 2-jarige het speelgoed van het andere kind pakt, wordt hij of zij geweigerd. Maar als het kind een speelding aanbiedt, is de kans groot dat hij of zij mee mag doen. Jonge kinderen experimenteren ook met hun macht. Bijvoorbeeld een ander kind hard duwen, en dan met grote ogen kijken hoe dat kind gaat huilen. Of de 3-jarige die trots kijkt als het lukt om een baby te helpen.

Taal bij de fruithap

Leidster Sonja is bezig om Olivia een fruithap te voeren. Het laatste hapje is in zicht. Olivia beweegt enthousiast haar handen en maakt, net voor de lepel haar mond bereikt, een geluidje.

Sonja:
“Je vindt het lekker hè, hier komt het laatste hapje aan”.

Olivia eet het met duidelijk plezier op.

Sonja:
“Dat was de laatste hap. Wat was het lekker, hè?”

Olivia kijkt van de lepel naar het bakje, daarna kijkt ze Sonja aan. Die beantwoordt haar blik en zegt:
“Ja, het bakje is echt leeg, kijk maar. Dat is jammer, hè? Zullen we nu even bij Fleur en Nathan gaan kijken?”

Ze neemt Olivia op de arm en loopt met haar naar de kinderen in de poppenhoek.

150

Leren door een rijk taalaanbod

Pedagogisch medewerkers helpen de kinderen bij het ontdekken van hun omgeving en hun eigen binnenwereld. Ze doen dat door met de kinderen mee te spelen, tijdens het verzorgen en door alles wat ze doen te begeleiden met taal. Ook als kinderen nog nauwelijks taal begrijpen en zelf niet praten, is taal heel erg belangrijk. Doordat er met hen wordt gepraat, leren ze taal. Door de taal leren de kinderen de wereld om zich heen beter kennen. En ze leren hun gedachten, emoties en gevoel beter kennen doordat de leidsters die benoemen; er woorden aan geven. Een kind moet direct een verbinding kunnen maken tussen een woord en een concrete handeling, ervaring of gevoel.
Ook de regels en gedragsaanwijzingen van de leidster moeten concreet zijn. Bijvoorbeeld 'wees rustig' is voor een jong kind te abstract. In plaats daarvan kan een leidster beter zeggen 'je mag op de mat met je auto spelen', dat is een concreet advies over wat te doen.

Leren door gebruik van 'honderd talen': expressie

Alle indrukken die kinderen opdoen, moeten verwerkt worden. Daarom zijn rust en slaap ook zo belangrijk, en het uiten en communiceren van hun ervaringen. Jonge kinderen leren door op heel veel verschillende manieren vorm te geven aan wat ze denken, voelen, zien en geleerd hebben. Door bijvoorbeeld te tekenen, schilderen, kleien, bewegen, foto's te maken, bouwen, doen-alsof-spel of ervaringen te vertellen of tonen aan anderen. Dit is onder meer uitgewerkt in de Reggio-pedagogiek (Meeuwig, 2008). Voor de denkontwikkeling van kinderen is het belangrijk dat ze hun ideeën en ervaringen op een creatieve manier vastleggen en er over communiceren met anderen.

Individuele verschillen

Onderzoek heeft ontwikkelingspsychologen voorzichtig gemaakt met het beschrijven van de stapsgewijze ontwikkelingen van kinderen op een bepaalde leeftijd. Enerzijds zijn de verschillen tussen kinderen in verschillende ontwikkelingsfasen, bijvoorbeeld tussen baby's, dreumesen en peuters, goed gedocumenteerd. Anderzijds blijken er ook grote individuele verschillen te zijn. De ontwikkeling gaat sprongsgewijs of met een tijdelijke terugval. Sommige kinderen zijn bijvoorbeeld snel met het gebruik van woorden. Anderen zeggen niets, lijken de taal van de leidsters wel te begrijpen en praten dan opeens met twee- en driewoord zinnen. Sommige kinderen leren door heel veel te kijken, anderen leren door te doen.

Temperament

Kinderen verschillen qua temperament. Daarmee bedoelen psychologen dat ze verschillen qua:

  • Heftigheid van reageren op de omgeving
  • Houding tegenover nieuwe ervaringen, positief of negatief
Bron: Asendorpf, J. B. (2001) en Rothbart, M. K. (2004)
151

Kinderen verschillen ook qua temperament. Sommige kinderen zijn erg gevoelig en snel van streek. Ze houden niet zo van nieuwe onverwachte ervaringen. Andere kinderen zijn niet van hun stuk te brengen en lijken bijna geen angst te hebben. Leidsters moeten deze kinderen juist tegen zichzelf beschermen en leren rekening houden met anderen. Dergelijke kinderen hebben veel nieuwe ervaringen nodig om zich niet te vervelen.

Sociale en culturele verschillen

Jonge kinderen in de groep verschillen ook doordat ze thuis allemaal andere ervaringen opdoen en verschillende dingen leren. Kinderen hebben zowel behoefte aan autonomie als aan verbondenheid. Dat is in alle culturen gelijk. Maar er zijn grote culturele verschillen in waar de nadruk op ligt. In 'collectivistische' culturen ligt meer nadruk op verbondenheid. Japanse ouders willen bijvoorbeeld dat het jonge kind ervaart dat het andere mensen nodig heeft en niets alleen kan. Terwijl westerse ouders de nadruk leggen op wat een kind al zelfstandig kan. Deze ouders hebben een meer 'individualistische' cultuur. Maar binnen westerse culturen bestaan ook grote verschillen. In de Verenigde Staten wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op het volgen van het individuele bioritme van het kind qua slaap en voeding; ook in de kinderopvang. In de Nederlandse cultuur wordt zowel thuis als in het kindercentrum meer waarde gehecht aan rust en regelmaat. Ouders en pedagogisch medewerkers proberen de kinderen te wennen aan een bepaald dagritme voor eten en slapen.

Culturele verschillen zijn niet altijd gemakkelijk zichtbaar, omdat iedereen de eigen cultuur vanzelfsprekend vindt. Een kind heeft bijvoorbeeld geleerd dat je bij een bestraffing de volwassene (de leidster) nooit recht in de ogen mag kijken, maar de ogen moet neerslaan. Terwijl de leidster dan vindt dat een kind dat bestraffend wordt toegesproken haar moet aankijken. De enige oplossing is: vraag aan de ouder wat gedrag van een kind betekent, als je het kind niet begrijpt.

Enkele kenmerken van baby's, dreumesen en peuters

Kinderen leren voortdurend. Daardoor ontwikkelen ze zich. In de ontwikkelingspsychologie wordt gesproken van 'ontwikkeling' als kinderen door het verwerven van een aantal nieuwe vaardigheden op een ander niveau gaan functioneren. Zoals gezegd verloopt de ontwikkeling brokkelig. Kinderen kunnen op het ene gebied voorlijk zijn en aan ander gebied zich veel langzamer ontwikkelen. Er zijn weinig kinderen die helemaal volgens het boekje een duidelijk af te bakenen overgang maken van de ene ontwikkelingsfase naar de andere. Maar globale beelden van het functioneren van kinderen in verschillende fasen kan toch enig houvast geven. Daarom hebben we in het curriculum gekozen voor grove aanduidingen van drie ontwikkelingsfasen. We zullen deze fasen hanteren als kapstok om bepaalde ontwikkelingen en karakteristieken te aan te duiden. Afhankelijk van het onderwerp wordt in sommige hoofdstukken dieper ingegaan op ontwikkelingen binnen deze drie fasen.

De baby (0 – 18 maanden)

Een baby is competent en krachtig, maar ook sterk afhankelijk van volwassenen.
Een intieme, betrouwbare relatie met de groepsleiding is belangrijk. Baby's hebben behoefte aan vertrouwde mensen (niet te veel wisseling) en een vertrouwde voorspelbare omgeving en ritme. Ze bouwen zelfvertrouwen en een eerste besef van zichzelf op als ze fysieke en emotionele veiligheid ervaren.

Nieuwe ontdekking

Isa in verrukking over een nieuwe ontdekking.
Foto: Siem Rooker - 152

Baby's:

  • groeien en ontwikkelen in deze leeftijdsfase het snelst;
  • zijn kwetsbaar, maar taai en volhardend;
  • zijn afhankelijk van volwassenen voor het vervullen van hun behoeften;
  • zijn zeer gemotiveerd om te leren en 'zelf doen';
  • willen directe behoeftebevrediging en meteen aandacht;
  • kunnen goed met nonverbale signalen aangeven wat ze nodig hebben;
  • hebben zekerheid, voorspelbaarheid en regelmaat nodig;
  • zijn gevoelig voor snelle schommelingen in gezondheid en welbevinden;
  • hebben stabiele relaties nodig met een beperkt aantal sensitieve volwassenen.

De dreumes (18 – 30 maanden)

Het gedrag en de ontwikkeling van een dreumes varieert sterk; sprongen vooruit wisselen af met enige terugval. Dreumesen worstelen met het ontwikkelen van het "ik" en willen onafhankelijker worden van de volwassene, terwijl ze tegelijkertijd nog sterk emotioneel verbonden zijn en steun nodig hebben. De wens tot zelf doen, ontdekken, en hun groeiende behoefte aan controle in dagelijkse bezigheden is vaak in conflict met hun afhankelijkheid van verzorgers om dingen te laten gebeuren. Dreumesen maken zich snel fysieke, sociale en taalvaardigheden eigen, maar dit heeft nog veel oefening nodig. Dreumesen vinden rituelen en routine aan de ene kant prachtig, maar verzetten zich er soms ook tegen. Dit vraagt veel van de vindingrijkheid en het geduld van de volwassene.

Aankleden

Krijg ik eerst deze arm of eerst die andere?
Foto: Loes Kleerekoper - 153

Actief

Actief en nieuwsgierig.
Foto: Loes Kleerrekoper - 154

Dreumesen:

  • zijn energiek en op weg;
  • zijn bezig controle over hun wereld te krijgen door het zoeken van grenzen en het onderzoeken van het effect van hun gedrag;
  • willen vaak dingen die ver vooruit lopen op hun taal of fysieke mogelijkheden;
  • zijn actief en nieuwsgierig;
  • zijn vastbesloten om competent te worden en gebeurtenissen en dingen te begrijpen;
  • hebben intense en vaak onvoorspelbare gevoelens;
  • worden gedreven door kansen en mogelijkheden en door aanmoediging;
  • zijn impulsief en hebben nog weinig zelfcontrole;
  • zijn gericht op het hier en nu;
  • zoeken sociale interactie en leren door imitatie;
  • leren met hun hele lijf
  • leren door te doen en veel minder door wat er verteld wordt;
  • dreumesen hebben eigen behoeften, maar vallen soms tussen de wal en het schip (tussen baby's en peuters).

De peuter (30 – 48 maanden)

De peuter heeft een groeiend vermogen voor taal en leert verschillende standpunten zien. Hij krijgt inzicht in afbeeldingen, symbolen, getallen, en woorden. Het activiteitenaanbod in kindercentra moet zorgen voor leerrijke ervaringen, zodat kinderen begrip voor hun eigen belevingswereld en de wereld om zich heen kunnen opbouwen. Peuters zijn nog steeds wisselend in hun ontwikkelingstempo; ze gaan ineens met sprongen vooruit en staan dan weer een poosje stil of vallen even terug. Maar ze leren steeds beter om te gaan met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen. Ze kunnen zelf steeds beter activiteiten plannen en overzien en ze krijgen steeds meer inzicht in hun eigen rol.

Creatief spel

Zo’n object lokt creatief sociaal spel uit.
Foto: Danielle Heesbeen - 155

Peuters:

  • herkennen patronen en regels in de wereld. Dit moedigt hen aan om vragen te stellen en te reageren op onzin en humor;
  • krijgen een groeiende mogelijkheid om het gezin, thuis en kindercentrum te zien in het perspectief van de groter wordende wereld;
  • krijgen nieuwe mogelijkheden zoals symbolen, voorstellingen, creativiteit, muziek, woordspelletjes en omgaan met getallen;
  • ontwikkelen taal en rekenkundige vaardigheden. Ook inzicht in begrippen, oorzaak/gevolg, verbale expressie en ontdekkingen in de fysieke en sociale wereld;
  • ontwikkelen een beter geheugen en kunnen daardoor verhalen vertellen, meer complexe situaties oplossen, langer met iets bezig zijn en meer 'gericht nieuwsgierig' zijn;
  • ontwikkelen sociale vaardigheden om vriendschappen aan te gaan en vast te houden en er wordt een begin gemaakt om het uitgangspunt van een ander te zien;
  • ontwikkelen hun fysieke vaardigheden verder;
  • leren steeds beter plannen maken, controleren, vragen stellen, en na te denken over activiteiten en taakjes;
  • gebruiken hun fantasie en voorstellingsvermogen om de eigen identiteit en die van de ander te verkennen.

 

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: woensdag 8 februari 2012.