De Theorie – Hoofdstuk 9
Observeren en plannen
Observeren behoort tot het hart van het werken met jonge kinderen. De pedagogisch medewerkers richten de omgeving in om de kinderen veiligheid te bieden en met het oog op de opvoedingsdoelen. Ze bieden activiteiten aan en stimuleren de kinderen. Door te observeren kijken ze of wat ze aanbieden werkt; waar de belangstelling van kinderen ligt; waar individuele kinderen behoefte aan hebben. Door te observeren kunnen de pedagogisch medewerkers aansluiten bij de kinderen en activiteiten plannen.
Observeren is een bron van plezier, inzicht en verwondering. Door te kijken, leren de pedagogisch medewerkers de kinderen kennen. Hoe meer ervaring ze hebben met observeren, hoe meer ze gaan zien. En hoe groter de verwondering over de unieke manier waarop elk kind in het leven staat. Begrijpen hoe kinderen 'werken', maakt dat pedagogisch medewerkers meer geduld hebben als kinderen 'lastig' zijn, en het verhoogt hun pedagogische creativiteit.
In dit hoofdstuk komt achtereenvolgens aan bod:
- Veiligheid en welbevinden
- Ouders
- Uitdagende leeromgeving
- Competenties en doelen
- Planning van activiteiten en leerervaringen
- Organisatie en planning
- Planning voor een langere periode
- Planning voor een week of maand
- Inspelen op het moment
- Observatieschema's, doelen en competenties
- Observeren moet je leren
Veiligheid en welbevinden
Fysieke en emotionele veiligheid behoren tot de basisvoorwaarden van het werken in een kindercentrum. Leidsters zijn daar dan ook altijd op gespitst. Ze screenen de omgeving op fysieke veiligheid, en er is altijd toezicht op de kinderen. Ze zorgen ervoor dat baby's en dreumesen binnen hun zicht zijn en dat ze gemakkelijk oogcontact kunnen maken.
Een warme persoonlijke relatie tussen leidster en kind ontstaat doordat de leidster oog heeft voor wat er in het kind omgaat en daarop reageert. Een kind dat merkt dat het gezien en begrepen wordt, voelt zich veilig. De groepsleiding let ook op het algemene welbevinden van de kinderen in de groep. Natuurlijk hebben alle kinderen wel eens een slechte dag, en veel kinderen hebben bepaalde momenten van de dag dat ze hangerig zijn en zichzelf in de weg zitten. Pedagogisch medewerkers merken dat en spelen in op de situatie van dat moment.
Door regelmatig te observeren hebben de pedagogisch medewerkers van ieder kind een beeld van zijn of haar welbevinden in de groep en het kindercentrum.
Is het kind nieuwsgierig en open voor nieuwe ervaringen?
- Is het kind in de regel ontspannen en blij? Of is het juist angstig en schuw?
- Is het kind in de regel nieuwsgierig en staat het open voor nieuwe ervaringen?
- Is het kind betrokken bij zijn of haar spelactiviteiten? Gaat hij of zij erin op?
- Gebruikt het kind de leidsters als veilige basis als hij of zij hulp nodig heeft?
- Wil het kind ervaringen delen met de leidsters?
- Heeft het kind belangstelling voor andere kinderen en maakt hij of zij contact?
- Zijn ouders en kinderen ontspannen bij het brengen en halen?
Zijn de kinderen op elkaar betrokken?
De leidsters observeren ook het welbevinden van de groep als geheel.
- Is de sfeer positief, vrolijk en gezellig? Zijn de kinderen op elkaar betrokken?
- Kunnen de kinderen ongestoord spelen?
- Verloopt de dag als geheel soepel, werkt het dagritme ?
- Spelen de kinderen in de speelhoeken en met de materialen, wordt de gehele speelruimte binnen en buiten gebruikt?
Voor het observeren zelf en het handelen n.a.v. de observatieresultaten, zijn diverse goed bruikbare instrumenten ontwikkeld.
Ouders
Ouders maken hun kinderen dagelijks mee en weten veel van het gedrag van hun kinderen. In oudergesprekken komen de overeenkomsten en verschillen tussen het gedrag thuis en in het kindercentrum aan de orde. Hierdoor krijgen pedagogisch medewerkers en ouders een breder beeld van het kind en kunnen pedagogisch medewerkers hun handelen nog beter afstemmen op dit specifieke kind. Gebruik van een observatie- of rapportagelijst kan een steun in de rug vormen bij de oudergesprekken. Veel bestaande observatie-instrumenten zijn geschikt om in de contacten met ouders te gebruiken. In de meeste voor- en vroegschoolse programma's (VVE) wordt hier nadrukkelijk aandacht aan besteed.
Uitdagende leeromgeving
Het grootste deel van dit curriculum gaat over het bieden van optimale mogelijkheden voor kinderen om zich te ontwikkelen en te leren. Dit geeft aanknopingspunten voor het observeren op de groep. Op welke onderdelen komen de kinderen uitstekend tot hun recht, welke zaken verdienen extra aandacht?
Bijvoorbeeld:
- Hebben de dreumesen voldoende mogelijkheden voor grof motorische activiteiten? Geobserveerde signalen kunnen zijn: het veelvuldig klimmen op tafels en in kasten, veel beweging tijdens het eten aan tafel.
- Is er voor de baby's voldoende gelegenheid om al bewegend te ontdekken? Signalen: onrustig gedrag in de box of juist veelvuldig in slaap vallen, heftig bewegen in (wip)stoeltje.
- Kunnen peuters een rollenspel op hun niveau uitvoeren? Signalen: peuters maken veel ruzie met elkaar en met dreumesen, ze gooien veel met spelmateriaal, ze wisselen erg snel van activiteit.
Op basis van het bespreken van dergelijke observaties besluiten pedagogisch medewerkers tot kleine of grote aanpassingen in gebruik van de ruimte, materiaal, dagindeling en organisatie van de groep.
Bijvoorbeeld op basis van bovengenoemde vragen en geobserveerde signalen:
De dreumesen gaan vaker naar buiten en er wordt in de groepsruimte plaats gemaakt voor klimkussens. De eettijd wordt bekort.
Baby's krijgen een afgescheiden en op hen afgestemde ontdekhoek met spannende materialen en in het dagschema worden meer mogelijkheden ingebouwd voor de baby's om veilig de groepsruimte te verkennen.
Er wordt een verkleedhoek ingericht met veel interessante attributen die alleen toegankelijk is voor peuters. Een van de pedagogisch medewerkers gaat regelmatig met de kleintjes in de hal spelen, waardoor de groteren meer gelegenheid krijgen hun spel uit te bouwen.
Competenties en doelen
Een systematisch vorm van het observeren van kinderen is het gebruik van een kindvolgsysteem. Daarmee wordt volgens een vaste methode gekeken naar de ontwikkeling van elk kind, naar de stappen die hij zet in het verwerven van de diverse competenties.
De resultaten worden ingezet om beter te kunnen inspelen op de behoeften en mogelijkheden van het kind.
Er zijn veel verschillende systemen die elk hun eigen kenmerken hebben. VVE-programma's zoals Piramide, Kaleidoscoop, Startblokken en Puk&Ko zijn bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te volgen en om op basis daarvan volgens bepaalde richtlijnen, activiteiten te plannen. Zij hebben elk een eigen kindvolgsysteem, dat past bij hun manier van werken.
Daarnaast zijn er ook kindvolgsystemen die niet gekoppeld zijn aan een bepaalde methode. Vaak worden er in het kindvolgsysteem adviezen gegeven over stimuleringsmogelijkheden op het gebied van de geobserveerde ontwikkelingsgebieden of competenties.
Sommige observatielijsten zijn vooral bedoeld om ontwikkelingsproblemen te signaleren. Andere zijn bedoeld voor informatieoverdracht naar het basisonderwijs.
Een goed gekozen en goed toegepast kindvolgsysteem geeft extra mogelijkheden om de kinderen op maat te ondersteunen bij het versterken van hun competenties. De keuze voor het gebruik van een kindvolgsysteem betekent dat er tijd voor wordt ingeruimd: pedagogisch medewerkers moeten leren er mee om te gaan, ze moeten het uitvoeren, het wordt besproken met collega's en er worden vervolgstappen aan verbonden.
Planning van activiteiten en leerervaringen
Tijd voor een uitstapje naar de kinderboerderij.
Observeren en plannen horen bij elkaar. Door te observeren stellen pedagogisch medewerkers vast in hoeverre ze hun pedagogische doelen halen en voldoen aan kwaliteitsnormen met betrekking tot welbevinden en het bieden van leerervaringen.
Organisatie en planning
Voor een planning die goed is afgestemd op de eigen groep kinderen en hun behoeften, is een soepele organisatie nodig. Pedagogisch medewerkers bespreken per dag en voor de wat langere termijn, wat ze de kinderen willen bieden en stemmen daar hun werkzaamheden op af. Soms zijn het maar korte momenten van overleg, maar ze zijn bepalend voor het welslagen van de dag. Door concreet te bespreken hoe de dag in principe gaat verlopen, voorkomen de medewerkers dat ze worden overvallen door praktische problemen en onvoldoende aandacht kunnen besteden aan het inspelen op de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen.
Reactie op het discussieforum van het curriculum
Door het vooraf bedenken van activiteiten en vooral het vastleggen daarvan en vooruit regelen van het materiaal dat je nodig hebt, is veel onrust te voorkomen. Een activiteit pas bedenken op het moment dat het tijd is om wat te gaan doen loopt vaak anders dan je wil; een kind is net gevallen, heeft extra troost nodig, de telefoon gaat, je collega heeft een doktersbezoek gepland. Een goed uitgevoerde planning biedt dan rust en regelmaat.
Situaties aanbieden
Het is zeker belangrijk om in te gaan op dingen waar de kinderen zelf mee komen. Maar voor het uitbreiden van de taalontwikkeling en van andere ontwikkelingsgebieden is het ook belangrijk dat leidsters situaties aanbieden aan de kinderen.
Hierdoor wordt hun kennis van de wereld uitgebreid. Die kennis is op zich al nuttig, maar helpt ze bovendien om zich goed te ontwikkelen op andere terreinen. Als ze later gaan lezen, is een tekst gemakkelijker te begrijpen als ze al veel weten. Die factor blijkt in de loop van de basisschool steeds meer het succes bij begrijpend lezen te verklaren.
Ontleend aan Hans Cohen de Lara (2007)
Meer effect
Activiteiten en thema's geven de kinderen gelegenheid om al spelend veel te leren. Het leereffect wordt vergroot als je:
- Herhaalt – O leuk, we gaan weer dieren kleien
- Varieert – Kunnen we de takjes die jullie hebben gevonden, gebruiken bij het kleien?
- Vasthoudt – Op deze foto zie je alle slangen die we hebben gemaakt
- Uitbreidt – Zou er in deze bak met speelgoeddieren ook een slang zitten?
- Eigen spel stimuleert – Bij het vrij spelen kun je kiezen om te kleien
Op een willekeurige dag kan het voorkomen dat er twee baby's komen waarvan de pedagogisch medewerkers weten dat ze veel aandacht nodig hebben, dat ze met de oudste peuters een activiteit met mozaïek willen doen, dat de dreumesen behoefte hebben om in de hal lekker te bewegen en dat het project Boerderij verder moet worden uitgewerkt. Het geeft voldoening als zo'n dag soepel verloopt en die kans wordt vergroot door tevoren afspraken te maken over de manier waarop dit wordt ingepast binnen het dagschema, door tevoren te bedenken wie wat gaat doen tijdens de slaapmomenten, door de huishoudelijke klussen goed te plannen en een duidelijke taakverdeling af te spreken.
Bij het plannen van activiteiten op de langere termijn, bijvoorbeeld een project of thema voor de groep of het hele dagverblijf, is een goede organisatie onmisbaar. Ruime tijd tevoren wordt bedacht welke klussen er moeten gebeuren, deze worden opgedeeld in kleinere klussen en onderling verdeeld. Regelmatig wordt uitgewisseld en zonodig bijgestuurd. Als de eigenlijke uitvoering met de kinderen gaat starten, liggen alle spullen klaar en kan iedereen zich concentreren op het werken met de kinderen.
Planning voor een langere periode
De inrichting van de ruimte, het dagritme en de groepsindeling liggen in de regel voor langere tijd vast. Daarnaast zijn er jaarlijks terugkerende activiteiten, feesten en projecten voor het hele kindercentrum zoals Sinterklaas, Carnaval, projecten rond de seizoenen. Op grond van observaties en de daarbij behorende evaluaties worden deze zaken bijgesteld en nieuwe planningen gemaakt. In de regel zal het basisstramien, zoals het dagritme en indeling van de binnen- en buitenruimte niet maandelijks worden veranderd. Kinderen hebben behoefte aan variatie, maar ontlenen hun gevoel van veiligheid deels aan de voorspelbaarheid van de dagindeling en de inrichting.
Planning voor een week of maand
Binnen de groep maken de pedagogisch medewerkers een planning voor kortere termijn. Ze observeren een bepaalde belangstelling bij de kinderen. Ze merken bijvoorbeeld dat bepaalde doelen weinig aan bod komen en maken een plan om dat te verbeteren. Ze vervangen materialen uit de speelhoeken, kiezen bepaalde boeken om voor te lezen, regelen hulp voor een uitstapje naar de kinderboerderij, etcetera. Ook passen ze hun pedagogisch handelen aan op grond van observaties van individuele kinderen. Als het nodig is, maken ze voor een kind een individueel actieplan. Bijvoorbeeld omdat het kind erg impulsief is, zich verveelt, bijt of erg teruggetrokken is.
De groepsleiding stemt het plannen van activiteiten mede af op de belangstelling die ze bij de kinderen observeren. Bijvoorbeeld, een pedagogisch medewerker merkt speciale belangstelling bij een kind voor bloemen, en gaat met een groepje bollen planten en een bloemenboek bekijken. Of de pedagogisch medewerkers observeren dat het spel eentonig wordt, bijvoorbeeld buiten steeds rondjes fietsen, en maken dan een plan om het buitenspel een nieuwe impuls en uitdaging te geven.
Een prima moment om samen te lezen.
Inspelen op het moment
Geplande activiteiten komen pas tot leven als pedagogisch medewerkers ook inspelen op het moment. Je kunt van alles mooi bedacht hebben, maar als iets niet werkt, moet iets anders bedacht worden. Spontaniteit ontstaat door goed observeren en daar direct op reageren. Zo'n dag waarop alles van zelf lijkt te gaan, is een dag waarop de leidster precies dát grapje maakt waardoor kleine Amina zich begrepen voelt en alsnog bereid is om haar speelgoed op te ruimen. En precies de juiste toon vindt, waardoor Youri rustig gaat slapen. En precies díe creatieve inval heeft waardoor de driftaanval van Lea voorkomen wordt. Zo'n heerlijk dag waarin planning en spontaniteit in evenwicht is.
Observatieschema's, doelen en competenties
In het praktijkdeel van het curriculum staat de planning van activiteiten centraal. We maken daarbij onderscheid tussen 'verzorg-leeractiviteiten' en speel- leeractiviteiten. Gekoppeld aan de diverse soorten van activiteiten en de doelen en competenties waaraan gewerkt wordt, wordt daarin concreter ingegaan op het observeren en plannen.
Observeren moet je leren
Kijken moet je leren. Ouders en stagiaires die voor het eerst in een kindergroep komen, zien kinderen die door elkaar heen lopen, spelen, soms veel lawaai maken. Ze zullen in de regel moeite hebben om meteen te snappen hoe het sociale leven van deze groep kinderen in elkaar zit. Maar ook ervaren pedagogisch medewerkers ontgaat veel. Dit komt doordat er altijd zoveel tegelijk gebeurt in een groep. En doordat ieder mens in vertrouwde situaties verwachtingen opbouwt. Als er woeste kreten uit de bouwhoek komen en de pedagogisch medewerker ziet Sem en Lynn, zal ze bijvoorbeeld geneigd zijn om Sem aan te spreken, want Sem is vaak wild. Daarom is het voor alle medewerkers goed om regelmatig een stapje opzij te doen en te kijken wat er gebeurt en juist niet meteen te handelen.
Kindvolgsystemen en andere observatielijsten zijn geweldige hulpmiddelen om de aandacht te richten op interessante aandachtspunten in het gedrag van de kinderen. Het gericht bekijken van video-opnames geeft inzicht in het gedrag van kinderen en in de wijze waarop de leidsters daar invloed op kunnen uitoefenen. Voor zowel leidsters, ouders als wetenschappers die van observeren hun beroep hebben gemaakt geldt: door het gedrag van kinderen te observeren doe je altijd nieuwe ontdekkingen.