De Theorie – Hoofdstuk 10
Communicatie tussen leidsters en kinderen
Plezier in kinderen, kinderen helpen om hun weg te vinden, kinderen uitdagen. Dat is waar het pedagogisch medewerkers in kindercentra om gaat. Het contact met kinderen motiveert hen en geeft hen bevrediging. Pedagogisch medewerkers zien kinderen als inspiratiebron. Dit betekent dat ze oog hebben voor de eigenheid, achtergrond en behoeften van een kind, ruimte geven voor de eigen belangstelling en keuze van kinderen, aandacht hebben voor wat kinderen elkaar te bieden hebben en inspelen op de dynamiek van de groep kinderen.
In hoofdstuk 1 Veiligheid en welbevinden is het gedrag van pedagogisch medewerkers besproken dat gericht is op veiligheid en welbevinden van het kind:
- Sensitiviteit en emotionele steun
- Structureren, grenzen stellen en werken met rituelen
- Respecteren van de autonomie van kinderen
- Uitleggen en benoemen
- Ondersteunen van veilige relaties tussen de kinderen:
- Vertrouwdheid en vriendschap tussen kinderen
- Erbij horen, wij-gevoel en rituelen
- Respect voor diversiteit tussen de kinderen onderling
- Voldoen aan basisbehoeftes: een gezonde omgeving
In dit hoofdstuk ligt het accent op de manieren waarop pedagogisch medewerkers het leren en de ontwikkeling van kinderen kunnen ondersteunen en stimuleren:
- Autonomie, actief leren en diversiteit
- Baby's, dreumesen en peuters
- Zelf keuzes maken
- Helpen en bijdragen aan de groep
- Diversiteit
- Reguleren van gedrag en zelfregulering
- Rituelen
- Beperkt aantal duidelijke regels
- Positieve gedragsaanwijzingen
- Stimuleren van spel en leeractiviteiten
- Begeleiden met taal en uitleggen
- Ruimte geven voor spontaan spel
- Aanwijzingen geven
- Meespelen en voorbeeldgedrag
- Vragen stellen en samen denken
- Verwerken van indrukken: rust, herhaling en expressie
- Diverse verzorging-leeractiviteiten en speelleeractiviteiten
- Creëren en herkennen van kansen
Autonomie, actief leren en diversiteit
Een kind is vanaf de geboorte competent en uniek en gericht op sociale contacten en relaties. Ieder kind heeft een eigen temperament en laat op eigen wijze zijn of haar behoefte aan autonomie blijken. Een kind is ook afhankelijk van de volwassene met betrekking tot zijn of haar basisbehoeften. Naarmate het kind ouder wordt. treedt er een verschuiving op van afhankelijkheid naar autonomie. Hoe het geven van autonomie aan kinderen concreet wordt ingevuld, hangt mede af van de culturele waarden en normen van de opvoeders.
Verschillen in nadruk op Autonomie en Afhankelijkheid
Een baby kan met veel liefdevolle en geduldige hulp van de leidster zelf haar lepel in haar mond stoppen.
Autonomie
De leidster roept: ‘Wat knap, je kunt al zelf eten!’
Afhankelijkheid en verbondenheid
De leidster zegt: ‘Wat kunnen we samen al goed eten hè. En wat heeft jouw mama lekker eten voor je meegenomen.
Cultuur
Opvattingen over autonomie en afhankelijk zijn cultuurgebonden. Ook binnen culturen verschillen mensen van mening over hoeveel vrijheid een kind aan kan en mag worden gegeven. Hetzelfde geldt voor afhankelijkheid. Mensen verschillen in de mate waarin ze kinderen willen leren dat ze afhankelijk zijn van andere mensen. Daarom maken kindercentra in samenspraak met de ouders concreet wat ze onder autonomie verstaan, en wat ze kinderen willen leren met betrekking tot verbondenheid en afhankelijkheid van anderen.
Baby's
Baby's zijn geheel afhankelijk van de zorg van volwassenen. Juist daarom moeten pedagogisch medewerkers het kind veel ruimte geven voor autonomie en de initiatieven van het kind volgen. Bijvoorbeeld, de baby niet zomaar oppakken uit haar bedje maar eerst oogcontact maken, praten en vertellen wat er gaat gebeuren. Hierdoor krijgt de baby op zijn of haar niveau controle over de situatie; dit is een basis voor verdere positieve ervaringen. Zo kan er een wederkerige communicatie tussen baby en leidster ontstaan en een balans tussen autonomie en afhankelijkheid die past bij baby's.
Samen was opvouwen leidt tot intieme en spannende communicatie.
Dreumesen
Dreumesen willen veel zelf doen en zijn tegelijkertijd nog sterk emotioneel afhankelijk van de leidsters. Ze worden heen en weer geslingerd tussen afstoten en nabijheid claimen. Leidsters kunnen dit emotionele conflict oplossen door bijvoorbeeld de dreumesen vrij te laten spelen en zelf beschikbaar te blijven via oogcontact. Door even naar de leidsters te kijken - ziet ze me, is alles veilig - kan de dreumes zijn of haar behoefte aan afhankelijkheid bevredigen en verder spelen en ontdekken.
Peuters
Peuters kunnen enige tijd zelfstandig spelen. Als ze de leidster nodig hebben, zoeken ze vaak zelf contact. Maar peuters ontdekken een nieuwe vorm van afhankelijkheid: van andere kinderen. Ze ontdekken dat andere kinderen niet met je willen spelen als je geen rekening met hen houdt; dat je moet proberen anderen ter wille te zijn, dat soms de wet van de sterkste geldt. Peuters zijn meer autonoom in relatie tot de leidsters, maar als ze willen samenspelen zijn ze afhankelijker van de regels van het kinderspel. Soms hebben ze hulp nodig van de leidster bij het leren samenspelen met andere kinderen.
Goed dat je zelf je schoenen hebt aangedaan. Wil je dat ik je veters even vastmaak?
Een kind ervaart iedere situatie of activiteit op een eigen unieke manier en stelt eigen doelen. Maar ieder kind heeft in elke ontwikkelingsfase ook een zorgzame warme relatie met betrouwbare opvoeders nodig en een groep waarin het sociaal kan functioneren.
Zelf keuzes maken
De communicatie van leidsters met kinderen is gericht op ruimte geven aan kinderen. Dit geeft de kinderen de mogelijkheden om vanuit hun eigen competenties keuzes te maken en zich verder te ontwikkelen. Dit kunnen leidsters doen door:
- te observeren en af te wachten hoe kinderen zelf problemen oplossen, in plaats van in te grijpen of te helpen;
- vragen te stellen aan het kind, in plaats van zelf in te vullen wat het kind denkt of voelt;
- duidelijke keuzes voor te leggen aan het kind. Bijvoorbeeld kiezen uit twee alternatieven: wil je dit of dat?
- niet te veel keuzemogelijkheden voorleggen. Jonge kinderen kunnen meerdere alternatieven moeilijk overzien. Te veel vrijheid maakt hen stuurloos en geeft hen een machteloos gevoel.
- samen met de kinderen plannetjes maken voor een feest, een spelactiviteit bedenken of oplossingen voor een probleem verzinnen.
Helpen en bijdragen aan de groep
Ieder kind heeft naast de behoefte om verzorgd te worden en te ontvangen, ook behoefte om zelf een bijdrage te leveren aan de groep en te laten zien dat het in staat is tot zorgen en tonen van medeleven. Een kind vindt het fijn om taakjes uit te voeren in de groep en wil graag de kans krijgen om te troosten of om te laten merken dat het een bijdrage kan leveren aan het gezellig maken van de groep. Samen opruimen van speelgoed en het vegen van de vloer kan ook een geliefd ritueel zijn in de kindergroep. Hierdoor leren de kinderen op een vanzelfsprekende manier om op een positieve manier samen te leven met anderen.
Diversiteit
Pedagogisch medewerkers hebben oog voor de eigenheid (uniciteit) van elk kind. Dus is respect voor de diversiteit in talenten, karakter, temperament, voorkeuren, ontwikkelingsniveau en culturele achtergronden vanzelfsprekend. Ieder kind wordt op zijn of haar manier uitgedaagd. Dat is niet altijd gemakkelijk. Het hoort bij het opvoeden dat ouders of pedagogisch medewerkers een kind soms niet begrijpen of niet weten waar hij of zij op dat moment het meeste behoefte aan heeft. In zo'n situatie is het belangrijk om deze ervaring te bespreken met anderen. Misschien hebben collega's wel toegang tot het kind, en kunnen ze tips geven. Misschien kunnen de ouders uitleg en advies geven op grond van hun ervaringen thuis.
Culturele verschillen?
Twee- en drie-jarige kinderen met een Nederlandse, Marokkaanse en Antilliaanse achtergrond hebben in kindercentra evenveel conflicten. De moeders denken echter dat er wèl verschillen zijn. Alle groepen zien de eigen kinderen en opvoeding als beter.
Amina Rourou, Elly Singer, Nienke Bekkema en Dorian de Haan (2006).
Uitgangspunt is pedagogisch optimisme: ieder kind heeft een sleuteltje. De kunst is om dat sleuteltje tot contact te vinden. Met geduld, creativiteit, wat geluk en goede contacten met collega's en ouders komen pedagogisch medewerkers ver. Soms is, na overleg met de ouders, externe hulp of advisering nodig, of samenwerking binnen een netwerk van hulpverleners rond het gezin.
Reguleren van gedrag en zelfregulering
Baby's zijn grotendeels afhankelijk van hun opvoeders voor het reguleren van hun emoties en gedrag. In de loop van hun ontwikkeling leren ouders en pedagogisch medewerkers aan de kinderen manieren om hun eigen gedrag te reguleren en controleren. Volgens Vygotsky leren de kinderen om hun eigen gedrag te reguleren door zelf te doen wat de opvoeder hen geleerd heeft; door tegen zichzelf te praten en door imitatie van de opvoeder. Bijvoorbeeld. Eerst zegt de leidster 'Kijken, en handjes op je rug' tegen een 2-jarige die een bouwwerk van een 3-jarige bekijkt en wil vastpakken. Later doet het kind zelf de handjes op de rug en zegt 'kijke, kijke'. Ook daarom reguleren de pedagogisch medewerkers het gedrag van de kinderen op een positieve manier.
Vast ritueel bij het bankje: je schoenen aandoen voor het naar buiten gaan.
Bij dit liedje gaan we altijd even slapen.
Rituelen
Rituelen zijn al meerdere malen genoemd in het Curriculum. In verband met emotionele veiligheid in de groep: als middel om de wereld voor jonge kinderen voorspelbaar te maken en om een wij-gevoel te geven. Rituelen zijn ook een middel voor emotie- en gedragsregulatie. Liedjes die aankondigen dat het tijd wordt voor de kring of maaltijd. Liedjes waarbij kinderen grappige bewegingen maken en hard mogen roepen om stoom af te blazen. Rituele beloningen voor 'grote' kinderen die mogen helpen bij het dekken van de tafel. Rituele kringspelletjes waarin kinderen om de beurt een beweging mogen voordoen, zorgen voor imitatiegedrag en helpen kinderen om hun gedrag op elkaar af te stemmen.
De overgang tussen activiteiten kondigt de groepsleiding altijd een paar minuten van te voren aan met een ritueel geluid, liedje of versje. Hierdoor kunnen kinderen zich er op voorbereiden dat ze iets anders moeten gaan doen en daardoor gemakkelijker meebewegen met de groep.
Beperkt aantal duidelijke regels
Vanaf het moment dat kinderen gaan lopen en meer bewegingsvrijheid krijgen, moeten ze leren om zich aan bepaalde regels te houden. Voor hun veiligheid en de veiligheid van hun omgeving. Je aan de regels houden is voor jonge kinderen heel erg moeilijk. Daarom is het werken met een beperkt aantal hoofdregels het meest effectief, zoals:
- elkaar geen pijn doen;
- luisteren als de leidster zegt dat iets gevaarlijk is of niet mag;
- geen dingen kapot maken;
- om de beurt spelen met geliefd speelgoed.
Jongens weet je nog: om de beurt!
Daarnaast moeten kinderen een beperkt aantal kleine regels leren, dat zijn regels waarin de hoofdregels worden toegepast. Bijvoorbeeld: niet op het aanrecht staan, want dat is gevaarlijk. Door een goede inrichting van de ruimte kan het aantal kleine regels beperkt blijven. De hoofdregels stellen duidelijke grenzen aan het gedrag van de kinderen. Kinderen leren deze hoofdregels doordat ze steeds worden benoemd en uitgelegd. Maar nogmaals: de groepsleiding moet op dit gebied niet te hoge verwachtingen hebben over de mogelijkheden van één- of tweejarigen.
Reguleren van gedrag op een positieve manier
- Reageer met concrete suggesties; zeg wat je positief verwacht van het kind. Dus niet "Wees een beetje rustig"; maar "Laten we samen een boekje gaan lezen".
- Wees specifiek: leg uit waarom je iets goed of fout vindt. Dus niet: "Ik vind dat niet leuk". Maar "Je mag niet aan Mia's puzzel zitten als zij er mee speelt. Dat vindt ze niet leuk. Zullen we voor jou ook een puzzel pakken?"
- Gebruik 'als... dan...' uitleg van gedrag. Bijvoorbeeld: "Als je Joeke's pop afpakt, dan mag je van Joeke niet meespelen in de poppenhoek".
- Toon de kinderen wat je bedoelt en leg het uit. Bijvoorbeeld: speel met de kinderen mee en laat zien hoe je om de beurt iets mag, en leg steeds uit wat je doet en waarom.
- Geef bij correcties altijd een positieve 'onder tafel boodschap'. Dat wil zeggen dat je gedrag afkeurt, maar tegelijkertijd laat merken dat je het kind niet afkeurt.
- Als er een botsing is tussen leidster en kind, maak het dan altijd weer goed en herstel de relatie: 'Zijn we nu weer vrienden?'
- Gebruik humor. Samen lachen, verbindt en relativeert.
Positieve gedragsaanwijzingen
Voor jonge kinderen is het heel erg moeilijk, en soms zelfs onmogelijk, om op eigen kracht gedrag te stoppen. Dus alleen 'niet doen' zeggen, is vaak onvoldoende. Jonge kinderen hebben concrete aanwijzingen nodig over wat ze wèl moeten doen. Ook boos worden is bij jonge kinderen in de regel weinig effectief. Een boze leidster roept bij kinderen veel sterke en negatieve emoties op. Een sterke emotie betekent voor een kind: veel energie die ergens heen moet. Als het kind alleen boosheid hoort, weet het niet wat te doen met die energie en raakt in de war. Met als gevolg: volharding in het gedrag dat de leidster verbiedt, huilen of ongecontroleerd boos gedrag. Bovendien gaan kinderen vaak het boze gedrag van de leidster imiteren; dan heeft de leidster precies het omgekeerde bereikt van wat ze beoogt. Belangrijk is dat ze op een vriendelijke manier concreet en duidelijk is naar de kinderen. Ze laat het kind bovendien merken dat ze wel zijn of haar gedrag maar niet het kind zelf afkeurt.
Er zijn veel manieren waarop de leidster gedrag dat ze afkeurt op een positieve manier kan reguleren.
Stimuleren van spelen en leren
In een uitdagende omgeving spelen en leren jonge kinderen vanzelf. Maar de manier waarop de pedagogisch medewerkers met de kinderen communiceren verdiept en verrijkt de activiteiten van de kinderen. Ze spreken de kinderen aan in hun zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky). Tijdens het verzorgen en het spelen heeft de pedagogisch medewerker de beschikking over de volgende manieren om het leren te stimuleren.
Nou, doe de bal er maar eens in!
Begeleiden met taal en uitleggen
Jonge kinderen gebruiken nog geen of weinig of eenvoudige taal. Ze hebben de beschikking over non verbale communicatiemiddelen. Zoals wijzen; boos, blij of verdrietig kijken; iets tonen of pakken; voordoen en uitnodigen om te imiteren; reageren op non verbale initiatieven. Maar voor de taalontwikkeling is het belangrijk dat leidsters, ook bij baby's, voortdurend met woorden begeleiden wat er gebeurt, wat de leidster of het kind ziet of denkt. Bij baby's is het belangrijk hen de tijd te geven om te snappen wat je bedoelt. Zeg wat je gaat doen, kijk naar een reactie en handel dan pas. Uitleg van het hoe en waarom is voor alle kinderen heel belangrijk. Ook als het kind niet alles snapt, gaat het toch beseffen dat alles een oorzaak of reden heeft en dat je die kunt leren kennen.
Ruimte geven voor spontaan spel
Pedagogisch medewerkers geven de kinderen de ruimte voor ongestoord spel. Overal mee bemoeien is storend voor kinderen. Kinderen raken dan hun eigen stuur kwijt en kunnen hun belangstelling niet volgen. Vaak zie je jonge kinderen intens naar een voorwerp kijken en eenvoudige bewegingen herhalen. Voor de volwassen buitenstaander is lang niet altijd duidelijk wat het kind dan boeit. Maar blijkbaar vindt het kind het boeiend. Kinderen hebben die rust om te ontdekken nodig.
Aanwijzingen geven
Als de pedagogisch medewerkers zien dat een kind iets wil wat niet lukt of als het spel vast loopt, dan kunnen ze stimuleren door eenvoudige aanwijzingen te geven. 'Kijk, daar ligt nog een puzzelstukje'. Of: 'Pak maar een nieuw blaadje om een tekening te maken.' Zo helpt de groepsleiding de kinderen om oplossingen te vinden als ze vast zitten.
Meespelen en voorbeeldgedrag
Pedagogisch medewerkers kunnen ook meespelen om het spel een impuls te geven. Vooral bij dreumesen kan dit helpen bij het leren samen spelen. Bij 'doen alsof' spel kan ze een verhaallijn maken of een persoon spelen die een nieuwe wending geeft aan het spel. Bij verven kan ze een voorbeeld zijn en vertellen wat ze doet, en uitleg geven als kinderen wat vragen. Bij memory kan ze het spel leiden, zodat kinderen leren om 'om de beurt' kaartjes neer te leggen of te vragen. Bij zingen en dansen gaat ze voor en leren de kinderen al imiterend de liedjes en bewegingen.
Een kringspelletje is een ongedwongen manier om te leren samenspelen.
Bij het meespelen is het belangrijk dat de pedagogisch medewerker zich bewust is van haar rol. Soms is het goed om de leiding te nemen - bijvoorbeeld bij een nieuw spel met regels -; soms moet ze zich gedragen als gast in het spel van de kinderen, dus de kinderen volgen.
Vragen stellen en samen denken
Pedagogisch medewerkers kunnen kinderen ook uitdagen om te onderzoeken en zich uit te drukken. Dat kunnen ze doen naar aanleiding van toevallige gebeurtenissen. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een conflict tussen twee kinderen: 'Wat wil jij Jan?' En wat wil jij Sutnison?' 'Hoe kunnen we dat oplossen? Wie weet een plan?' Pedagogisch medewerker kunnen ook situaties creëren om met kinderen samen te praten en denken. Door een verhaal voor te lezen en te vragen: 'Wat denk je dat beer zal doen?' Of door kinderen vraagstukken voor te leggen: 'Welk kind is het langste van de groep? Hoe weet je dat? Hoe zouden we dat kunnen meten? Is het langste kind ook het oudste kind? Hoe komt dat?'
Verwerken van indrukken: rust, herhalen en expressievormen
Kinderen doen op een dag enorm veel indrukken op. Zoveel is nieuw voor ze. Daarom stimuleren de pedagogisch medewerkers het leren van kinderen ook door ze rust te geven en tijd voor verwerken. De groepsleiding is ook geduldig. Jonge kinderen willen nieuwe dingen heel vaak herhalen voordat ze aandacht hebben voor nieuwe dingen.
De kinderen verwerken hun ervaringen ook door er vorm aan te geven. Pedagogisch medewerkers bieden kinderen diverse expressievormen aan: bewegingsexpressie en dans; muziek; beeldende expressie door verven, kleien, bouwen.
Diverse verzorging-leeractiviteiten en speel-leeractiviteiten
In het praktijkdeel van het curriculum wordt bij de diverse verzorging-leeractiviteiten en speel-leeractiviteiten specifieker ingegaan op het gedrag van de pedagogisch medewerker.
Creëren en herkennen van kansen
Pedagogisch medewerker creëren leermogelijkheden en activiteiten om kinderen de gelegenheid te geven de diverse competenties te verwerven. Ze herkennen ook de leerkansen in het spontane spel van kinderen. Zowel voor het creëren van kansen als voor het herkennen ervan is vakkennis nodig. Dat wil zeggen kennis van bijvoorbeeld de 'natuur en fysieke omgeving': wat en hoe jonge kinderen op dat gebied kunnen leren. Of vakkennis van 'eten en drinken': welke potentiële leermomenten de ochtendsnack en de lunch bieden. Of vakkennis van 'muziek en dans': hoe jonge kinderen leren muziek maken en bewegen.