De Praktijk – Hoofdstuk 11
Wennen, begroeten en afscheid nemen
Inge van Rijn – Pedagoog crèche Hermelijntje
De kern
In het kindercentrum beginnen de kinderen hun dag met afscheid van hun ouders en begroeten van de leidsters en andere kinderen. Elke dag maken de kinderen twee maal een overgang van opvoedingssituatie: van de ouders naar de groep en van de groep naar de ouders. Vooral aan kinderen die nieuw zijn stelt dit hoge eisen. Ouders en leidsters helpen de kinderen bij het wennen en ‘dag zeggen’. In de kern gaat dit verzorg-leergebied over veiligheid en welbevinden: over het opbouwen en onderhouden van vertrouwde relaties tussen ouders en leidsters, leidsters en het kind, en tussen de kinderen onderling.
Belangrijke ontwikkelingen van baby tot kleuter
Vanaf de geboorte bouwen ouders en kinderen een bijzondere band op. In het begin lachen de meeste baby’s naar iedereen, maar na enkele maanden richten ze zich steeds meer op de personen die hen veiligheid bieden. Rond acht of negen maanden worden ze zich bewust van de bijzondere band met hun ouders. De baby ontwikkelt dan angst voor scheiding van zijn of haar ouders of hechtingsfiguren en vaak ook een afkeer van vreemden. De kinderen hebben dan tijd nodig om leidsters te leren kennen als vervangende hechtingsfiguren. Bij afwezigheid van de ouders nemen de leidsters hun rol als steun en toeverlaat over. Maar als de ouder terug komt om het kind op te halen, kan het kind even in de war raken, huilen of zich opeens helemaal op de ouder richten en de leidsters ‘vergeten’. De kinderen richten zich dus of op de ouders, of op de leidsters. De combinatie is voor veel kinderen moeilijk.
Vanaf het eerste jaar ontwikkelen kinderen steeds meer vaardigheden om de wereld van de groep en de wereld van thuis te verbinden. Een- en tweejarigen leren de vaste volgorde van gebeurtenissen: brengen, afscheid nemen, in de groep, ophalen, thuis. Rond drie jaar heeft er weer een grote verandering plaats in het sociaal-emotioneel gebied. Door nieuwe cognitieve vaardigheden kunnen kinderen gevoelsmatig contact te houden met een afwezige ouder. Ze kunnen symbolen gebruiken om contact te maken. Ze kunnen ‘telefoneren’, in zichzelf praten tegen de ouder, plaatjes bekijken van het dagritme. Ze kunnen ook steeds meer veiligheid ontlenen aan vriendschap met andere kinderen.
Samengevat:
- Baby’s tot zes maanden wennen relatief gemakkelijk, omdat ze nog weinig onderscheid maken tussen hun ouders en ‘vreemde’ leidsters. Maar voor ouders is het wel vaak moeilijk om zo’n jong kind uit handen te geven waarmee ze nog een veilige hechte band moeten opbouwen.
- Kinderen tussen 7 maanden en drie jaar hebben waarschijnlijk de meeste moeite om te wennen en afscheid nemen. Leidsters moeten heel gevoelig zijn voor wat deze kinderen nodig hebben en samen met de ouders wenprocessen en afscheids- en begroetingsrituelen ontwikkelen. Een beetje moeite met afscheid nemen en blij zijn als de ouders komen ophalen zijn tekenen dat het kind een hechte band met zijn of haar ouders heeft ontwikkeld.
- Vanaf een jaar beginnen kinderen de volgorde van gebeurtenissen die zich regelmatig herhalen te herkennen. Ze ontwikkelen scriptkennis. Ze snappen dat mamma of pappa weg gaat als ze in het dagverblijf zijn. Ze weten dat ze na de lunch gaan slapen. Ze verwachten hun pappa of mamma snel nadat het eerste kind uit de groep is opgehaald. Herhalende gebeurtenissen geven kinderen greep op hun leven. Vanaf twee jaar beginnen ze ook foto’s van thuis te gebruiken als troost of contact bij afwezigheid.
- Kinderen vanaf drie jaar gaan steeds beter begrijpen waar pappa en mamma zijn als hij of zij in de groep is. Ze kunnen voorstellingen maken van mensen en dingen die er niet concreet aanwezig zijn. Vriendschap met leeftijdgenootjes wordt ook steeds belangrijker als bron van veiligheid.
- De meeste kleuters begrijpen dat pappa en mamma elders zijn als hij of zij op de basisschool of buitenschoolse opvang zijn.
Veiligheid en welbevinden
Wennen en opbouwen van de samenwerking met de ouders
Brengen van je kind: nog even lekker dicht bij elkaar.
Een ontspannen relatie tussen ouder en groepsleiding, helpt het kind om van de één naar de ander te gaan. Vanaf de eerste kennismaking wordt gewerkt aan een goede samenwerking en inzicht in de verschillen en overeenstemming tussen de opvoeding thuis en in het kindercentrum. Ouders en leidsters worden partners in de opvoeding.
De leidsters informeren de ouders over de gang van zaken in het kindercentrum. Bij de eerste kennismaking krijgen ouders een rondleiding. Naast de algemene informatiefolder kunnen ouders soms een mapje van de eigen groep van hun kind mee naar huis nemen. Hierin staan foto’s en tekstjes: Wie zijn de leidsters van deze groep? Wat doen wij gedurende de dag? Waar gaat het kind eten, slapen en spelen? Met dit kleine ‘kennismakingsboekje’ kunnen ouders en kind zich voorbereiden op de nieuwe situatie.
De ouders informeren de leidsters over de opvoeding thuis. Wat is het kind gewend? Hoe gaan ze thuis met het kind om? Welke dagen werken de ouders? Wie kan er gebeld worden als er iets aan de hand is met het kind? De leidsters tonen interesse en respect voor de opvattingen en gewoonten van ouders. Ze vragen ook foto’s van thuis, die ze een plek geven op het kindercentrum. Het kind hier kan hier naar kijken wanneer het daar behoefte aan heeft.
Even de tijd nemen is belangrijk bij het brengen.
Het wennen. De leidsters geven kind en ouder de tijd om te wennen aan de nieuwe omgeving, bijvoorbeeld door samen een activiteit in de groep te doen. Zodra de ouder en het kind binnenkomen, zoeken de leidsters contact. Ze benoemen wat ze bij het kind waarnemen. Bijvoorbeeld, “Je vindt het hier zeker een beetje druk, hè.” Ze stellen ouder en kind op hun gemak. Ze leggen ook uit waarom ze iets doen en hoe dat te maken heeft met het werken in de groep. Omdat baby’s erg gevoelig zijn voor zintuiglijke indrukken, vragen de leidsters aan de ouder iets mee te nemen met de geur van de moeder: een doekje of hemdje, zodat het kind een vertrouwde geur bij zich heeft in de nieuwe omgeving. Bij peuters kan een knuffel van thuis het kind houvast geven.
Veel ouders vinden het moeilijk om hun kind ‘uit handen’ te geven. Onbewust kunnen zij dit gevoel overbrengen op hun kind, wat het afscheid nemen nog moeilijker maakt. We geven ouders de ruimte om hun gevoelens te uiten, hun zorgen en twijfels uit te spreken.
We spreken met ouders af dat het moment van afscheid nemen – soms moeilijk – het beste kort, duidelijk en steeds op dezelfde manier kan gebeuren. Een weifelende ouder brengt het kind in verwarring. Meestal nemen we het kind van de ouder over en is er nog een plek om samen de ouder uit te zwaaien.
Met de ouder spreken we af dat hij/zij ons kan bellen om te vragen hoe het gaat. Als de ouder het kind komt ophalen vertellen we hoe het gedrag van het kind was (vrolijk, druk, stil, etc.), wat het gedaan heeft en eventuele bijzonderheden over het eten en slapen. We helpen de ouder met het aankleden en de spulletjes verzamelen en spreken af wanneer we elkaar weer zien. Een goede communicatie tussen ouders en groepsleiding vormt voor kinderen de brug waarover zij van de één naar de ander kunnen gaan.
Opbouwen van een vertrouwensrelatie met het kind
Tijdens het wenproces bouwen de leidsters met ieder kind een persoonlijke relatie op, waarin de basis wordt gelegd voor een gevoel van vertrouwen en veiligheid. De leidsters spreken af wie de vaste leidsters worden voor het kind.
Bij binnenkomst stappen de vaste leidsters op de nieuwkomers af. Ze noemen hun naam en heten ze van harte welkom: ‘Hallo, fijn dat je vandaag komt.’ Met houding, lichaamstaal en mimiek laten de leidsters ouder en kind voelen dat ze welkom zijn.
In de nieuwe groep voel je je soms verloren in de ruimte.
Klik hier om een grotere afbeelding in een nieuw venster te openen
Het nieuwe kind heeft al een plekje in de groep: er staat bijvoorbeeld een naam en een foto op het kapstokje van het kind en er is een mandje/kastje voor het kind in de groep. Hiermee laten de leidsters en kinderen zien dat de wereld van het kindercentrum ook hun wereld is.
We vragen hoe het met kind en ouder gaat, hoe ze het vinden om vandaag te komen en tonen interesse in hun persoonlijke situatie.
De leidsters gebruiken tijdens het wennen alle pedagogische middelen die te maken hebben met veiligheid en welbevinden. Ze reageren sensitief en responsief op het kind door goed te letten op het (non verbale) gedrag van het kind. Wat wil dit kind duidelijk maken? Doordat de leidster laat merken dat zij het kind begrijpt, voelt het kind zich veilig en geaccepteerd. Tijdens het wenproces hebben jonge kinderen vaak een sterke behoefte aan contact en lichamelijke nabijheid van de leidster. Daarom is de vaste leidster altijd zichtbaar voor het kind. De leidsters leren de wenkinderen wat van hen verwacht wordt door duidelijke regels en grenzen en rituelen. Maar op een heel soepele manier. Met de wenkinderen wordt de ruimte verkend: waar is de wc, waar kun je water drinken, waar zijn de speelhoeken? De leidsters geven steeds uitleg geven en verwoorden wat er gebeurt.
Ieder kind heeft zijn eigen plekje in de boom bij De Belhamels.
Het tonen van respect voor de autonomie van het kind is in de beginfase ook extra belangrijk. Door het kind ruimte te geven om in eigen tempo in te voegen; door het eigene van het kind te waarderen. Maar ook door zijn of haar thuis een plek te geven in de groep door gesprekjes over pappa en mamma, broertjes en zusjes; foto’s van thuis; of door een knuffel of lapje van thuis mee te nemen in de groep.
Rust en geduld zijn heel belangrijk. Haastigheid en ongeduld van leidsters en ouders maakt jonge kinderen bang. Als er ‘wenners’ in de groep zijn, lopen de leidsters zo min mogelijk heen en weer. Hoe vaak die deur niet open en dicht gaat! Je ziet sommige kinderen kijken: wat gaat er nu gebeuren?
Opbouwen van vertrouwde relaties met de andere kinderen
Bij een nieuw kind in de groep, bereiden de leidsters met de andere kinderen de eerste kennismaking voor. Kennismaken is een wederzijds proces. Niet alleen de nieuwkomer moet wennen aan de groep, maar de groep moet ook de nieuwkomer leren kennen. Jonge kinderen verschillen sterk in de manier waarop ze reageren op de andere kinderen. Dat is afhankelijk van de leeftijd, eerdere ervaringen met andere kinderen en temperament. Sommige kinderen zitten het liefst de hele dag op schoot bij de leidster en kijken met grote ogen rond. Anderen storten zich al snel op de andere kinderen of op aantrekkelijk speelgoed.
Pedagogische middelen voor het opbouwen van vertrouwde relaties tussen kinderen zijn: het vaak noemen van de namen van de kinderen en het zingen van liedjes waarin de namen worden genoemd. Door steeds terugkerende rituelen, zoals het vieren van de verjaardagen van de kinderen, gaan kinderen zich steeds meer thuis voelen in de groep. Er ontstaat een wij-gevoel. In kleine groepjes bekijken de leidsters en kinderen de familiefoto’s van de kinderen en ze laten de kinderen erover vertellen.
Het samenspel stimuleren de leidsters door het nieuwe kind te laten meespelen in een klein groepje. De leidsters helpen bij de onderlinge communicatie tussen de kinderen. Ze leren de kinderen enkele eenvoudige regels voor het omgaan met elkaar, zoals ‘elkaar niet pijn doen’; ‘zeg maar tegen Jamy wat je wilt’; ‘laat Isa maar met rust, ze wil alleen spelen’; ‘om de beurt’. Ze leggen uit en verwoorden de gevoelens en wensen van de kinderen.
Dagelijks afscheid nemen van ouders
Je mag verdrietig zijn, je beer helpt je.
Bij binnenkomst en vertrek wordt ieder kind nadrukkelijk gedag gezegd, niet alleen door ‘Hoi’ of ‘Dag!’ te zeggen, maar ook door het kind aan te kijken, contact te maken, te knuffelen als we zien dat het kind dit prettig vindt en zijn/haar naam te noemen: ‘Dag lieve Sterre, we zien elkaar morgen weer!’ Bij het afscheid van de ouder geven we het kind de ruimte om zijn emoties te uiten. De leidsters praten tegen het kind, benoemen zijn of haar emoties, tonen begrip en bieden troost, bijvoorbeeld door het kind even op schoot te nemen, vast te houden, een knuffel te geven of door samen naar de foto’s van thuis te kijken en het kind gerust te stellen: ‘Vanmiddag komt pappa/mamma je weer halen.’ Daarna bieden de leidsters het kind aan om samen iets te gaan doen. Sommige kinderen hebben er behoefte aan om zich even terug te trekken om het afscheid te verwerken. Voor hen is er een rustig hoekje of rustige activiteit.
Kijken naar de familiemuur. Wie ben ik en waar is mijn pappa?
Pedagogische middelen bij het dagelijkse afscheid nemen van ouders:
- Persoonlijk contact maken met het kind en de ouders.
- Ouders en kinderen helpen om een helder terugkerend afscheidsritueel te ontwikkelen. Ouders die hun ambivalentie (tegenstrijdige gevoelens of twijfels) uiten tegen het kind, maken het afscheid moeilijker. Dus helpen leidsters de ouders met ambivalente/tegenstrijdige gevoelens.
- Benoemen en bevestigen van de gevoelens die het kind heeft bij het afscheid.
- Indien het kind er behoefte aan heeft, lichamelijk contact met de leidster of een plekje om zich even terug te trekken.
- Kinderen helpen om een rustige en aantrekkelijke activiteit te vinden of een speelkameraadje.
- Een spel aanbieden waarin peuters afscheid nemen kunnen oefenen. Bijvoorbeeld in de poppenhoek, waar we naspelen dat pappa of mamma naar het werk gaat en uitgezwaaid wordt. We kunnen pappa of mamma even ‘opbellen’ met de speelgoedtelefoon en verwoorden dat het kind zo lekker aan het spelen is; ‘Tot vanmiddag!’. De oudere peuters kunnen dit spel ook met elkaar doen en zelf een ‘telefoongesprek’ voeren.
- Met kleine verhaaltjes, versjes en prentenboeken over afscheid nemen helpen we de kinderen bij het begrijpen en verwoorden van hun gevoelens.
- Kinderen inzicht geven in het dagritme met behulp van foto’s aan de muur. Als een kind gedurende de dag naar z’n ouders verlangt, kunnen we met het kind benoemen hoe de dag verloopt: ‘We gaan zo buitenspelen, dan een crackertje eten en wat drinken, dan nog even spelen en dan komt pappa/mamma je weer ophalen.’
Ophalen en dagelijks afscheid nemen van de leidsters en kinderen
Bij het ophalen nodigen de leidsters de ouder uit om even in de groep te komen zodat iedereen even de tijd krijgt om even ‘om te schakelen’ van de ene situatie naar de andere. Ouders willen graag weten hoe de dag van hun kind is verlopen. De leidsters vinden dat ook belangrijk. Dat kan door even te praten en iets te laten zien van de belevenissen van de kinderen gedurende de dag.
Het ophalen van de kinderen door de ouder kan ook een moeilijk moment zijn. Het kind kan in verwarring raken over zijn eigen gevoelens. Enerzijds voelt het kind blijdschap als het de ouder weer ziet; anderzijds kan het ook boosheid en verdriet voelen. Het kind kan de ouder negeren of in tranen uitbarsten. Ouders kunnen hierdoor in verlegenheid worden gebracht. De leidster kan in zo’n situatie even als ‘tussenpersoon’ optreden.
Samen met de kinderen bereiden de leidsters zich voor op het ophalen van de kinderen door de ouders. Aan het einde van de middag wordt het spel langzaam afgebouwd en we benoemen dat strakjes de eerste kinderen opgehaald worden. Soms wordt een rustige activiteit gedaan, bijvoorbeeld aan tafel. Soms worden groepen aan het eind van de middag samengevoegd en wordt er buiten gespeeld of in de hal. Als de ouder aanstalten maakt te vertrekken, ondersteunen we dit, bijvoorbeeld door een duidelijk afscheidsmoment: ‘Dag....., tot morgen/andere dag!’
Pedagogische middelen zijn:
- Duidelijke afspraken met ouders over hoe laat ze het kind komen ophalen.
- Ouders informeren waarom de overgang voor hun kind soms moeilijk kan zijn.
- Uitwisselen over de dag.
- Foto’s of een kleine tentoonstelling met werk van de kinderen om te laten zien wat de kinderen hebben gedaan.
- Ouderavond over wat de kinderen allemaal doen en meemaken in de groep.
- De leidsters nemen duidelijk afscheid van de kinderen, ook als ze zelf eerder weggaan in verband met hun werkrooster.
- Het spel wordt rustig afgebouwd tegen de tijd dat de eerste ouders hun kind komen ophalen.
- De leidsters vertellen aan de andere kinderen wat er gebeurt, en dat zij ook strakjes door hun moeder of vader worden opgehaald, of dat vroeg of laat is, etc.
Op University Roezemoes studeren peuters af wanneer ze de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.
Afscheid van de groep
Als het kind naar een andere groep gaat, maakt het daar opnieuw een wenproces door. Van de overgang naar een andere groep maken we een afscheids- en welkomst ritueel voor het kind. Als kinderen samen met andere kinderen de overgang maken van de ene naar de andere groep geeft dat veel steun en wennen ze veel gemakkelijker. Stabiele relaties met speelkameraadjes zijn heel belangrijk voor kinderen.
Het afscheid nemen van de groep is een proces dat de leidsters samen met de kinderen voorbereiden. Bijvoorbeeld met de kinderen die naar de basisschool gaan. We praten over de basisschool. ‘Hoe oud ben je als je naar de basisschool gaat?’ ‘Wie heeft er een broer of zus op de basisschool?’ We brengen een bezoekje aan de basisschool waar kinderen uit de groep naar toe gaan en maken een tekening. Vaak hebben de kinderen meerdere wendagen op de basisschool voordat ze overgaan.
De laatste dag op de groep is er een afscheidsritueel. Dat kan bestaan uit liedjes zingen, cadeautjes geven, afscheidstekeningen maken, trakteren en uitzwaaien.
Samenwerken met ouders
Afspraak over het brengen
Rond half tien zitten de kinderen van De Ottertjes in de kring. Ze beginnen samen aan de dag door liedjes te zingen, fruit te eten en te praten over wat ze straks gaan doen. Om dit belangrijke moment niet te verstoren, is het de bedoeling dat de kinderen voor half tien worden gebracht. De leidsters leggen bij de kennismaking aan de ouders uit waarom dat belangrijk is voor de kinderen. Als het de ouders niet lukt om hun kind voor half tien te brengen, is de afspraak dat ze even opbellen en dat ze dan tussen 10 uur en kwart over tien komen. Zo verstoren ze het samenzijn van de groep niet en is het invoegen voor het kind ook eenvoudiger.
Herhaalde patronen en rituelen zijn belangrijk voor het zich veilig voelen in de groep. Op dit punt kunnen de belangen van opvoeding in de groep botsen met die van individuele ouders. Een kind en ouder die ’s morgens binnenkomen tijdens de kring storen het ritueel. Bovendien hebben de leidsters op dat moment weinig ruimte om het kind en ouders persoonlijk te begroeten en om het kind op weg te helpen. Bij het ophalen geldt hetzelfde. Sommige kinderen zijn er heel gevoelig voor: vanaf het moment dat het eerste kind wordt opgehaald worden ze onrustig. Dan zijn er de kinderen die laat en soms later dan afgesproken worden opgehaald. Met de langblijvers doen de leidsters iets extra’s: een spelletje waar het kind van houdt, iets waarbij het alle aandacht krijgt.
Brengen en ophalen zijn vaak de stressmomenten van de ouders en kunnen spanning opleveren in de relatie tussen ouders en leidsters. Hier helpt alleen: goede communicatie, wederzijds respect, inzicht in elkaars situatie en goede afspraken.
Observeren en plannen
Samen zijn is ook wel leuk.
Het wennen op het kindercentrum gaat stap voor stap. We spreken van een wenproces, dat in twee fasen verloopt: de eerste periode van wennen en de gehele periode van wennen. In de eerste periode van wennen leert het kind de overgang van thuis naar het kindercentrum te maken. Kind en ouder raken er langzaam maar zeker aan gewend om de dag gescheiden van elkaar door te brengen. Dit proces duurt gemiddeld vijf dagen. We stellen hiervoor samen met de ouders een wenschema op. We leggen uit wat het belang is van een wenperiode en wat we van de ouder verwachten.
Wanneer het kind zonder al te veel verdriet of angst in de groep kan zijn, is de eerste periode van wennen afgesloten. Maar het kind heeft nog tijd nodig om helemaal vertrouwd te raken met de nieuwe omgeving. Wanneer is een nieuw kind helemaal gewend in de groep? We observeren elk kind en denken dat een kind gewend is als we alle hieronder genoemde gedragingen bij het kind kunnen waarnemen:
- Het kind voelt zich zichtbaar op z’n gemak bij alle leidsters van zijn/haar groep: het laat zich troosten, helpen, naar bed brengen, er is non-verbale en/of verbale communicatie tussen leidster en kind.
- Het kind speelt met of naast andere kinderen.
- Het kind voelt zich op z’n gemak of beweegt zich vrij door de ruimte. Het gebruikt de speelhoeken en het spelmateriaal en heeft hier plezier in.
- Het kind heeft een zeker ritme in de groep gevonden. Voor baby’s betekent dit een min of meer herkenbaar eet- en slaapritme. Voor oudere kinderen betekent dit dat zij min of meer het ritme van de groep kunnen volgen: ze eten, drinken, slapen en spelen over het algemeen met de andere kinderen mee.
Poster op het raam: afscheid van de groep.
Twee maanden na plaatsing van het kind hebben de leidsters een gesprek met de ouders over het verloop van de wenperiode. Bij een kind dat onregelmatig komt of een tijdje niet geweest is, wordt het wenproces vaak belemmerd. Samen met de ouders zoeken we naar een oplossing om het kind goed te laten wennen aan de groep.
Meedenkgroep
Monique Wolf – SKIPPY Pijnacker
Loes Glerum – Dak kindercentra
Cora Gnocchi – Manager kinderdagverblijven SKH
Ellen van Prehn – Locatiemanager Koepel Kinderopvang Wageningen
Linda van der Knoop – Clustermanager SKN