Laatste wijziging van deze pagina: maandag 9 juni 2008 om 10:55 uur

De Praktijk – Hoofdstuk 20

Ordenen, meten en rekenen

Elly Singer – Onderzoeker UvA en UU, projectleider Nederlands Curriculum

Ordenen, meten en rekenen

Foto: Tessa van Schijndel - 253

De kern

De kinderen zien het meteen. Nieuwe spullen in de zandbak. Grote buizen, smalle buizen, bakjes en ballen van verschillende grootte. De buizen worden beklopt en de kinderen ontdekken dat je er doorheen kunt kijken. Welke dingen passen in de smalle buis? Hoe krijg je die spullen er weer uit? Sommige volwassenen denken dat jonge kinderen en meten en rekenen niet bij elkaar passen. Maar één blik op de spelende kinderen in de zandbak bewijst het tegendeel.

Alle mensen, jong en oud, ordenen hun omgeving. We zien of iets veel of weinig is. Dichtbij of ver weg. Alles wat nieuw is trekt de aandacht. Razend snel beoordelen we onze waarnemingen. Dat heeft met overleven te maken: is het iets vertrouwds? Iets gevaarlijks? Krijg ik evenveel als jij? Is iets te hoog om erbij te kunnen? Het vermogen tot vergelijken, ordenen en hoeveelheid of diepte te schatten is al bij baby’s aanwezig.

Dit hoofdstuk bouwt voort op het hoofdstuk over Natuur en fysieke omgeving . Ook hier gaat het om de verwondering, uitproberen en het onderzoeken. Maar nu vanuit de specifieke gerichtheid om de wereld te ordenen en meten.

Belangrijke ontwikkelingen van baby tot kleuter

In dit hoofdstuk gaan we in op vier gebieden waarop mensen vergelijken en ordenen:

Kenmerken van voorwerpen. Kinderen leren te letten op kenmerken als kleur, grootte, smaak, geluid, functie (bijvoorbeeld keukenspullen).

Hoeveelheid en aantal. Kinderen leren het verschil zien tussen veel en weinig, klein en groot, zwaar en licht. Ze zien of er maar één auto is of dat er meerdere exemplaren zijn om mee te spelen. Ze leren ook telwoorden: “Een, twee, vier”. Maar voor hun vierde jaar tellen de meeste kinderen nog niet helemaal in de juiste volgorde.

Uit liefde logisch leren denken

Als 3-jarigen ergens dol van zijn kunnen ze verrassend logisch denken en ordenen. Michel weet precies te vertellen wat zijn lievelingsdino is en waarom. Welke op elkaar lijken en waarin ze van elkaar verschillen. Dat dino's op hun achterpoten lopen, waaraan je dat kunt zien en dat ze eten vastpakken met hun voorpoten.

254

Ruimte. Kinderen leren om de positie van zichzelf, anderen of voorwerpen in de ruimte te ordenen met behulp van begrippen als: boven, onder, naast, op, achter, voor, beneden. Ze leren dat een voorwerp er nog is, ook als je het verstopt en niet kunt zien.

Tijd. Kinderen leren dat gebeurtenissen een bepaalde volgorde in de tijd hebben. Bijvoorbeeld het dagritme: ‘s morgens opstaan, eten, aankleden, in de auto naar het kindercentrum; dan even spelen, in de kring, et cetera. Ze leren ook verwachtingen: als dit is gebeurd, dan gebeurt daarna dat. Bijvoorbeeld: op het grote kleed zitten -> we gaan ons aankleden en naar buiten!

Baby’s

Kenmerken van voorwerpen en hoeveelheid. Kinderen van 3 maanden maken al spontaan categorieën. In een experiment lieten de onderzoekers baby’s foto’s zien van poezen: langharig, kortharig, zwart, bruin, gevlekt. Na enkele foto’s van een poes kwam een foto van een hond. Dat verraste de baby’s. Ze trappelden meer met hun voetjes en maakten meer geluidjes. Blijkbaar maken de baby’s onderscheid tussen foto’s van een ‘poes’ en van een ‘hond’. Baby’s kijken ook met extra aandacht als er een voorwerp bij komt of afgaat; blijkbaar merken ze het verschil in hoeveelheid op.

Tijd. Met 4 maanden anticiperen de meeste baby’s al op vertrouwde gebeurtenissen. Als de leidster bij het bedje komt staan, strekt de baby zijn of haar armpjes al uit. Hij of zij verwacht: ik word opgetild. Baby’s hebben verwachtingen op handelingsniveau: als ‘dit’ gebeurt, zal daarna ‘dat’ gebeuren. De ordening in de tijd – dagritme – van baby’s wordt nog voornamelijk bepaald door hun bioritme van slapen, eten, drinken, spelen, rusten en door hun opvoeders.

Ruimte. Rond 9 maanden gaan baby’s zoeken naar een voorwerp dat de leidster voor hun ogen heeft verstopt onder een zakdoek. Het eerste besef ontstaat dat iets dat je niet ziet, er toch kan zijn,. Dit wordt ook wel ‘object permanentie’ genoemd: het object blijft bestaan, is permanent.

Laken

Het laken is veel groter dan ik... 

Foto: Loes Kleerekoper - 255
Je vriend

Heel in de verte zie je een figuurtje lopen, een stipje. Toch weet je meteen: dat is mijn vriend. Hoe je dat weet op zo'n afstand? Mensen, ook jonge kinderen, hebben een scherp vermogen om vertrouwde vormen te herkennen.

256

Dreumesen en peuters

Kenmerken van voorwerpen. Zodra kinderen mobiel genoeg zijn om zelf voorwerpen te verplaatsen, gaan ze verzamelen. Ze gaan dingen in groepjes bij elkaar leggen. Aanvankelijk letten ze daarbij niet op de kenmerken van de voorwerpen. In de zandbak kunnen ze bijvoorbeeld een groepje maken van een veertje, 2 takjes en 1 steentje. In hun tweede jaar gaan de meeste kinderen voorwerpen sorteren die dezelfde functie hebben. Bijvoorbeeld de schepjes bij de schepjes, en Duplo bij Duplo. Ze leren ook sorteren op kleur of op grootte. In hun derde en vierde jaar leren kinderen om bij het ordenen op meerdere kenmerken te letten. Bijvoorbeeld op grootte en kleur waardoor 4 groepen ontstaan: de grote rode ballen; de kleine rode ballen; de grote groene ballen; de kleine groene ballen.

Hoeveelheid en aantal. Als dreumesen iets lekker vinden, weten ze goed het verschil tussen een grote koek en een kleine koek. Ze zijn geïnteresseerd in volle bekers melk en bijna lege; en in de hoeveelheden auto’s en poppen. Als ze ergens niet bij kunnen vragen ze hulp aan de leidster of aan een langer kind; ze zien blijkbaar het verschil tussen kort (zelf) en lang (leidster of ander kind).
2- en 3-jarigen laten zich nog vaak door het uiterlijk misleiden. Ze denken dat er meer limonade zit in een hoog smal glas, dan in een laag breed glas. Ze kunnen nog niet hoeveelheid schatten door rekening te houden met zowel hoogte als breedte. Ze kijken in de regel alleen naar de hoogte.
Driejarigen krijgen vaak plezier in tellen en ze vinden het leuk om te wegen of meten. Bijvoorbeeld onderzoeken welk kind in de groep het langste is.

Magisch denken

Jonge kinderen denken vooral magisch over gebeurtenissen die ze nooit eerder hebben meegemaakt. Ze bedenken ter plekke een verklaring. Een donderslag komt doordat een man heel hard de donder heeft aangezet. God steekt 's avonds de lichtjes aan (de sterren).

257

Tijd. Dreumesen worden steeds beter in anticiperen op gebeurtenissen. Ze weten wanneer het ongeveer kringtijd is, daarna weten ze dat ze vrij mogen spelen en lopen ze alvast naar een speelhoek.
Met 3-jarigen kunnen plannen worden gemaakt voor wat ze tijdens het vrije spelen willen gaan doen. Naderhand kan worden besproken hoe het gegaan is. Peuters begrijpen ook de representaties van de ordening in tijd: de plaatjes die de opeenvolgende activiteiten op de dag symboliseren. Een week is voor een 3-jarige nauwelijks te overzien. Wat betreft weken en maanden verlaten jonge kinderen zich op hun ouders en leidsters.
Inzicht in oorzaak en gevolgrelaties heeft ook te maken met tijd. Eerst gebeurt er wat -> en dan iets anders. Of je doet iets -> en dat heeft een bepaald effect. Op gedragmatig niveau hebben baby’s al gevoel voor oorzaak- en gevolgrelaties. Ze trappelen met hun beentjes tegen de mobiel die boven hen hangt en kijken aandachtig hoe het mobiel gaat bewegen; en herhalen dit vele malen. Als dreumesen eenmaal gezien hebben hoe een ander kind een stok gebruikt om iets te pakken dat achter het hek ligt, imiteren ze dat meteen. Ze snappen het verband tussen de stok en datgene wat bereikt moet worden. 3-jarigen kunnen eenvoudige logische verklaringen verwoorden.

Wie niet weg is wordt gezien.

Het vermogen tot perspectief nemen – snappen wat de ander ziet en weet, is bij jonge kinderen nog niet volledig ontwikkeld. Dit kun je bij kinderen goed zien tijdens verstopspelletjes. Tweejarigen bedekken vaak hun ogen en denken dan dat de ander hen ook niet ziet.

258

Ruimte. Als kinderen mobieler worden doordat ze kunnen kruipen en lopen, leren ze in rap tempo veel over de ruimte. Op praktisch niveau leren ze hun weg te vinden. In de regel kunnen kinderen van eind 3 jaar, ook in taal ruimtelijke begrippen begrijpen en gebruiken, zoals boven, onder, langs, achter, voor.
Kinderen worden ook vasthoudender bij verstoppen en zoeken. Ze reageren steeds minder vanuit uit-het-oog-uit-het-hart. Ze blijven langer zoeken naar een voorwerp dat ze niet zien en vinden verstopspelletjes vaak leuk.
Vanaf 3 jaar leren kinderen steeds meer rekening te houden met het perspectief van iemand anders. Sommige kinderen houden al rekening met wat iemand anders weet. Bijvoorbeeld, de leidster heeft haar koffie op de tafel gezet. Ze moet even weg en in die tussentijd brengt de andere leidster de koffie naar de keuken. Ze zoekt en kan haar koffie niet vinden. Sommige 3-jarigen snappen wat er met haar aan de hand is en kunnen haar helpen. Een enkele slimmerik snapt zelfs al dat hij of zij iets kan zien dat de ander niet ziet. Het kind snapt bijvoorbeeld dat hij of zij kan zien wat er in de poppenhoek ligt, maar dat de leidster dit niet kan zien omdat ze vanuit haar positie alleen de kastwand kan zien. Maar een dergelijk inzicht is voor 4-jarigen zeldzaam.

Veiligheid en welbevinden

De houding en motivatie van het kind om de wereld om zich heen te ontdekken is het belangrijkste. Het overdragen van kennis en begrippen om de wereld te ordenen mag nooit ten koste gaan van dit doel. Leerervaringen met vergelijken, ordenen, meten en rekenen zijn vooral ingebed in het spontane spelen en de alledaagse verzorgende activiteiten. Ook de activiteiten die pedagogisch medewerkers aanbieden, bouwen voort op de interesses van kinderen: Wie is de grootste? Is er voor iedereen een stukje appel? Wie heeft de hoogste toren gebouwd? Hoe kun je dat weten? Door te meten!

Leren en ontwikkelen

Rina, Rina, kijk, kijk. Lin probeert de aandacht van de leidster te trekken voor haar grote ontdekking: ze houdt een rode ballon voor haar ogen. Rina komt erbij en vraagt: Mag ik ook kijken? Lin blijkt helemaal gegrepen door een wereld die van kleur is veranderd. Er komen andere kinderen bij. Ria pakt een groene ballon: Wat zie je als je hier door kijkt? Door met de kinderen mee te gaan en vragen te stellen, maakt de pedagogisch medewerker van een toevallige ontdekking van Lin een ontdekkingsspel waar meerdere kinderen aan meedoen. Alle kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Maar zonder volwassenen met wie ze hun ontdekkingen kunnen delen stopt de belangstelling snel. Ze hebben actieve volwassenen nodig die samen met hen op onderzoek gaan en hen uitdagen tot zelf nadenken, vergelijken, ordenen en meten.
Leeractiviteiten rond vergelijken, ordenen, meten en rekenen zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

Actief leren door doen en ervaren. Kinderen verwerven actief kennis van de wereld door te handelen, bewegen en ervaren. Ze maken grote en kleine stapjes; lopen omhoog; kijken op de kast; glijden naar beneden; lopen langzaam en snel; iets is zwaar of licht om op te tillen.

Samen spelen prikkelt tot nadenken.

Als jonge kinderen samen spelen worden ze uitgedaagd om hard na te denken. Als ze voelen dat ze iets anders willen, moeten ze dat duidelijk maken aan de ander. In situaties waarin kinderen moeten kiezen – jouw plan of mijn plan – moeten ze extra hard denken.

259

In zinvolle situaties. Jonge kinderen leren het snelste als ze emotioneel bij een activiteit betrokken zijn. Spelen vinden kinderen leuk. Maar ze kunnen ook leren omdat iets heel belangrijk voor hen is. Ieder kind wil bijvoorbeeld weten wanneer mamma komt om hem of haar op te halen. Daarom leren ze snel de betekenis van de pictogrammen van het dagprogramma: “Kijk, je hebt net geslapen. Nu mag je fijn gaan spelen. Als de andere kinderen ook op zijn gaan we samen drinken en liedjes zingen in de kring. En dan nog even spelen, en dan komt mamma jou ophalen.”

Aanbieden van vele en verschillende ervaringen. Kinderen leren tellen bij het lopen, springen of in hun handen te klappen: een, twee, drie. Ze vinden dat een leuk spel en door de combinatie van bewegen, taal en denken leren ze snel. Veel sneller en met meer plezier dan bij het opnoemen van telwoorden zonder bewegen. Altijd is het belangrijk dat hoofd, hart en meerdere zintuigen en beweging worden aangesproken. Verschil in gewicht leren kinderen bijvoorbeeld door veel ervaring met verschillende voorwerpen. De baby door te spelen met een holle plastic bal en een massieve plastic bal. Dreumesen en peuters door een doos houten blokken te tillen en een doos Duplo. “Wat is lichter?” “Is de doos met houten blokken misschien te zwaar?” Als die te zwaar is: “Hoe kun je dat oplossen?” Kinderen hebben niet in eenmaal door wat licht en zwaar is. Dat leren ze door herhaalde én diverse ervaringen.

Taal. De woorden die kinderen leren van hun ouders en pedagogisch medewerkers helpen om kenmerken aan te duiden en ervaringen te ordenen. Terwijl de leidsters de kinderen verzorgen of met ze spelen, verwoorden ze ook steeds de ervaringen van het kind: Kijk, de puzzel ligt op de kast. Van wie zijn deze schoenen? Ga ze maar passen.

Actieve stimulerende rol van de pedagogisch medewerker. Alleen het aanbieden van een uitdagende omgeving is voor de meeste kinderen niet voldoende. Veel kinderen beginnen enthousiast, maar zijn snel hun aandacht kwijt. Neem het voorbeeld van de buizen in de zandbak. Veel kinderen komen niet uit zichzelf op het idee dat je buizen ook kunt gebruiken om zand door te gooien. En dat het zand sneller eruit loopt als je de buis heel scheef houdt. Maar als de leidster een schepje zand door de buis gooit en vraagt: Waar is het zand nu gebleven? gaan ze mee in het spel. Ze gaan ook onderzoeken hoe je zand snel en langzaam door de buis kunt laten lopen. Tessa van Schijndel vond in een onderzoek dat kinderen die aanvankelijk weinig exploratief waren, na samenspelen met de leidster veel meer exploreerden in de zandbak.

Kansen grijpen

In dit hoofdstuk beperken we ons tot voorbeelden met dreumesen en peuters. In het hoofdstuk Bewegen en zintuiglijk waarnemen en het hoofdstuk Natuur en fysieke omgeving staan veel voorbeelden van gericht op het vergelijken en ordenen van zintuiglijke ervaringen door baby’s

Kenmerken van voorwerpen (vergelijken, benoemen en ordenen)

Schoenen

Welke schoenen horen bij welke voeten? 
Foto: Loes Kleerekoper - 260
  • Na het buiten spelen zoeken kinderen hun schoenen. Maar die zijn op een hoopje beland. De leidster vraagt: Wie wil me helpen met de schoenen, welke passen bij elkaar? De kinderen vergelijken en lachen als ze 2 verschillende schoenen aantrekken. Kijk, deze schoen heeft veters. Heeft die andere ook veters?
  • Tijdens de maaltijd: Wat is dit? [laat sinaasappel zien]. Welke kleur heeft een sinaasappel? Heeft een appel [laten zien] dezelfde kleur?
  • Bij het opruimen: Wat hoort in de verkleedkist? Wat hoort in het keukentje?
  • Bij het verwelkomen 's morgens: Kijk, wat heb je een mooie nieuwe broek aan? Wat zijn dat? [wijst op knopen] Waarvoor zijn die?
  • Kinderen staan samen voor de spiegel zichzelf en elkaar te bekijken: Allebei hebben jullie haartjes. Voelen ze hetzelfde? Voel maar.
  • Tijdens het maken van tentoonstelling van herfstbladeren die de kinderen zelf hebben verzameld. Hoeveel soorten vormen zijn er? Zullen we die bij elkaar leggen?
  • Doktertje spelen: Heb jij ook een piemeltje?
Hoeveelheid, aantal en grootte (tellen en meten)

Crackers meten

Zijn ze even groot? 
Foto: Loes Kleerekoper - 261

Hageltjes

Zit er nog genoeg in? 
Foto: Ruben Keestra - 262
  • Tijdens het bouwen van torens: Wie heeft de grootste toren? Is die even groot als die op de gang? Kijk maar. Sommige kinderen lopen op en neer tussen de gang en de blokkenhoek en proberen de hoogte van beide torens te schatten. Hoe weet je of 2 torens even hoog zijn? Al pratend ontstaan ideeën over manieren om de torens te meten zodat je ze kunt vergelijken. Een stokje, een draadje, blokjes tellen.
  • Bij het zelf speelgoed kiezen en pakken. Kind kan er niet bij. Wie zou daar wel bij kunnen? Hoe zou je er wel bij kunnen?
  • Tijdens het buitenspel. Hoeveel kinderen willen er een fietsje? Hoeveel fietsjes hebben we? Hoe lossen we dat op?
  • Buiten op de wip. Youri zit boven en huilt. Mari die veel zwaarder is, zit beneden. Youri wil eraf maar weet niet hoe. De leidster ziet kleine Bente en vraagt: Wil jij ook op de wip? En tegen Youri: We gaan je helpen. Bente wordt achter Youri gezet en de wip gaat naar beneden. Youri straalt, Bente straalt. De leidster blijft er even bij tot de kinderen eraf willen. Hoe moet dat? vraagt ze. De kinderen bedenken met de leidster een oplossing.
  • Tijdens de lunch. Tel samen met de kinderen als de bordjes op tafel worden gezet, 1, 2, 3, ... Hoeveel kinderen zijn er? Zijn er evenveel bordjes als kinderen? Hoe kun je dat weten? De leidster geeft de kinderen ruimte om naar oplossingen te zoeken.
  • Afscheid kind dat 4 jaar wordt: Wie is de oudste van de groep? En als Luc op de basisschool zit, wie is dan de oudste? Wie is de jongste? Hoe oud is die?
Ruimte (positie in de ruimte)
Zelf laten ontdekken

2- en 3-jarigen doen vaak dingen die ons volwassenen als nonsens voorkomen. Ze proberen bijvoorbeeld om zichzelf in een veel te kleine doos te wurmen. Laat ze rustig hun gang gaan. Dit is hun manier om categorieën te leren als 'ruimtes die groot genoeg zijn' en 'ruimtes die te klein zijn'.

263
  • Buiten spelen: Kun je je pop niet meer vinden? Zullen we Arisha helpen zoeken? Waar heb je gespeeld, Arisha? De kinderen volgen Arisha’s aanwijzingen waar ze geweest is. Zal ie onder de boom liggen? Achter het muurtje? Heeft iemand er iets op gelegd? Ligt ie onder de jasjes?
  • Picknicken: De leidsters hebben de kinderen verteld van de picknick. Waar zullen we naar toe gaan? De kinderen krijgen foto’s te zien van bekende plekjes uit de buurt. Zij mogen kiezen. Wie weet waar dit is? Wie wil daar graag naar toe? Wat kun je daar doen?
  • Verstoppen: Waar is Thijmen, ik zie Thijmen niet meer? Waar is ie?
  • Tijdens doortrekken van de wc: Waar is de poep gebleven? Waar is die nu?
  • Bij overgangssituaties: Naast elkaar gaan staan en een handje geven. Dan kunnen de naar binnen.
  • Treinen spelen: Kijk de trein rijdt door de tunnel. Waar zal ie eruit komen? [2-jarigen verwachten vaak dat ie eruit komt op de plek waar hij erin ging]

Tijd

Dag lieverd, kom je maandag weer bij ons spelen? 
Foto: Ruben Keestra - 264
Tijd
  • De leidster is jarig. Hoe zullen we haar verrassen? Wat zullen we doen als ze binnen komt? En wat dan?
  • Over ervaringen thuis: Abdul, jij gaat met vakantie, hè? Over hoeveel nachtjes slapen?
  • Bij het ophalen: Kom je morgen weer op de groep?
  • In de kring: Wie is er morgen jarig? Wat gaan we dan doen met elkaar? We gaan eerst... Dan... En dan...
  • Op de glijbaan: Wie kan langzaam naar beneden glijden? Wie snel?
  • Oorzaak en gevolg: Kijk, nu laten we de bal los [op helling]. Wat zal er gebeuren?
  • Oorzaak en gevolg in keuken: Nu doen we de taart in de oven. Wat zal er dan gebeuren? Hoe komt dat?

Op de stoel

Als je óp de stoel staat ben je groter! 
Foto: Loes Kleerekoper - 265
Voorbeelden van materialen voor meten en ordenen
  • Verjaardagskalender
  • Pictogram met dagprogramma
  • Klok
  • Fotomuur met kinderen die aanwezig zijn
  • Familiemuur: bij wie hoor ik?
  • Meetlint
  • Weegschalen
  • Bakken, stapelbekers, bekers, schepjes, emmertjes van verschillende maten
  • Blokken van verschillend materiaal, kleur en grootte.
  • Grotere en kleinere kartonnen dozen die kapot mogen worden gemaakt.
  • Afvalmateriaal als wc-rollen, keukenrollen, doppen, noppen, verpakkingspapier
  • Lapjes stof
  • Gereedschapskist
266
Voorbeeld van een winkelhoek
  • Kassa
  • Toonbank (tafel met stoel erachter)
  • Winkelschappen (dozen, kasten, houten bank)
  • Artikelen om te verkopen: lege schone echte verpakkingen (zoals dozen van koekjes, plastic fles e.d.), vragen aan ouders
  • Een boodschappenmand
  • Een portemonnee met (zelfgemaakt) geld
  • Bezem, stoffer en blik, doek om winkel mee schoon te maken
  • Reclamefolders
  • Schorten voor het winkelpersoneel
  • Zelfgemaakte bonnen
  • Weegschaal (kun je van een doos maken met zogenaamde druktoetsen erop) 
267

Afwassen

Past er net zo veel sop in die andere beker? 
Foto: Ruben Keestra - 268

Kansen creëren

De pedagogisch medewerkers kunnen voor de kinderen allerlei activiteiten creëren waarin ze kinderen uitnodigen tot vergelijken, ordenen, meten en rekenen. We geven enkele voorbeelden van activiteiten. Tijdens die activiteiten observeren de pedagogisch medewerkers waar de aandacht van de kinderen naar uit gaat.

  • Boekjes en platen. Boekjes en platen lenen zich goed om te praten over grootte, kleur, aantal. Er zijn ook speciale telboekjes.
  • Liedjes en versjes. Veel kinderversjes gaan over tellen: Dat is 1..., dat is 2..., dat is 3... Jonge 2- en 3-jarigen kunnen zo’n liedje meezingen, ook als ze nog niet precies snappen waar de getallen op staan. Andere liedjes gaan over de plaats in de ruimte: Op zijn hoofd droeg hij een pluim, in zijn hand een mandje.
  • Lotto’s en puzzels. Lotto’s met plaatjes; kleurendomino’s. De leidster kan met de kinderen dergelijke spelletjes doen die uitnodigen tot ordenen op bepaalde kenmerken. Met puzzels kunnen kinderen spelen met vormen. Past ie, past ie niet?
  • Kinderspelletjes. Kinderen doen graag telspelletjes en spelletjes waarin ze leren om zich te bewegen in de ruimte. Bijvoorbeeld: Verstoppertje, achter, onder of boven de tafel. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, de kleur is... . Je bent warm, je bent koud... bij het zoeken naar een verstopt voorwerp. Zakdoekje leggen, niemand zeggen. Kringspelletjes zoals stoelendans verleiden tot tellen. Vroeger leerden de kinderen deze spelletjes vaak op straat. Nu kunnen kinderen het moeilijker van de oudere kinderen leren en hebben ze daar een pedagogisch medewerker bij nodig.
  • Tellen met je vingers. De leidster vraagt de kinderen om aantallen te laten zien met hun vingers. Hoe oud ben je? Hoeveel broertjes heb je? Hoeveel zusjes? Hoeveel poezen hebben jullie thuis?
  • Een groeikaart maken. De kinderen mogen om beurten tegen de muur staan en bij elkaar een streepje zetten voor de lengte. Wie is de langste? Of: de lengte meten met een groot papier voor ieder kind. De datum bij zetten en na een tijdje weer meten. Ben je nog even lang? Wie is langer geworden? Wie is gegroeid? Hoeveel?
  • Samen koken. Bij het koken wordt er gewogen en worden hoeveelheden gemengd. Koken heeft ook te maken met tijd; hoe lang moet het worden gekookt of in de oven blijven staan. En koken geeft veel aanleiding op de praten over oorzaak en gevolg: Hoe kan het dat het deeg warm en hard wordt in de oven. Blijft de taart warm? Hoe komt het dat ie kouder wordt?
  • Winkeltje. Met geld en weegschaal en allerlei (lege gebruikte dozen met) levensmiddelen. Met de jongste kinderen speelt de leidster mee. Ze kan er ook verhaaltjes bij vertellen over bijvoorbeeld inkopen voor een verjaardagsfeestje. Wat hebben we nodig? Met de 3-jarigen is het ook belangrijk om het spel af en toe een nieuwe impuls te geven.
  • Bouwen. Bouwen van torens, huizen, treinrails of  hutten. Met verschillende materialen: verschillende soorten blokken of Duplo, maar ook afvalmateriaal zoals doeken, kartonnen dozen, lucifersdoosjes of doppen. Tijdens het bouwen met de kinderen komen er vanzelfsprekend vragen als: past dit? Is dit even groot? Is dit lang genoeg? Staan deze kleuren mooi? Is dit niet te zwaar?
  • Wereldmateriaal. Boerderijbeesten, huizen, bomen, mensen. De oudere peuters kunnen met behulp van dit materiaal hun beeld van de wereld ruimtelijk vorm geven. Voor het huis, achter het huis, enzovoort.
  • Knutselen. De leidsters kunnen met de kinderen knutselen met papier, lijm, wc-rollen, plakkertjes. Ze kunnen ‘veel’ dingetjes ergens opplakken, van een bepaalde kleur of vorm.
  • Zand en water spelen. De leidsters kunnen met de kinderen een spel organiseren met een grote bak water en voorwerpen om water mee te scheppen, zoals flesjes, bekers, bakjes. De kinderen kunnen water overgieten: is het even veel? Ze kunnen zandtaartjes maken met behulp van verschillende vormen. Ze kunnen onderzoeken hoe zand verandert als je er water aan toevoegt.
  • Projecten ‘Ik ben ik’. Samen met kinderen vergelijken, meten en vastleggen van lengte, kleur haar, grootte voet en handen, omtrek lichaam. Of aantal broers en zussen, hond en kat. Hoeveel opa’s en oma’s of tantes en ooms.

Moeilijke vragen

Jonge kinderen stellen vaak vragen waar we zelf het antwoord niet op weten. Een 2-jarige die verrukt op een knopje drukt en... Het licht gaat aan. Het gezicht van het kind straalt de vraag uit: Hoe kan dat nou? Van schrik praten wij als volwassenen snel de vraag van het kind weg. Begrijpelijk, maar het kind leert niet om vragen te stellen en om op onderzoek uit te gaan.

Stimulerende communicatie met kinderen
  • Kijk waarover peuters het hebben. Sluit aan bij hun kijk op de dingen en hun interesses.
  • Twijfel zaaien: "Een kind mag op een stoel staan. Naast een ander kind (wat normaal gesproken groter is) wat op de grond staat. Wie is er groter nu?"
  • Met opzet een fout maken. De leidsters pakt een kinderjas en zegt "die is voor mij, die pas ik aan!"
  • Iets (geks) beweren.
  • Doorvragen: "Wat bedoel je precies?" of "Bedoel je dat?"
  • Meegaan met de redenering van het kind. "Je zegt dat deze toren hoger is dan die? Hoe zie je dat? Laat eens zien."
  • Vooral open vragen waarop geen vaststaand of "goed" antwoord op mogelijk is, stimuleren kinderen om te gaan praten. Zelf niet te veel praten.
  • Luisterresponsen geven, bijvoorbeeld: instemmend knikken, "ja" zeggen, korte reacties zoals "oh" of "mmm''.
  • Verwondering of verbazing tonen door reacties als "Zo! Geweldig" of "Nee toch!"
269

Bij kindervragen moeten pedagogisch medewerkers bedenken, dat kinderen zelden vragen naar een natuurwetenschappelijke verklaring. Ze willen niet weten hoe elektriciteit werkt. Als ze lichte en zwaardere voorwerpjes naar beneden gooien, verwachten ze geen verhandeling over de wet op de zwaartekracht. Maar kinderen willen wel graag dat de pedagogisch medewerker eenvoudige verklaringen geeft. Bijvoorbeeld bij het lichtknopje: je doet het draadje aan naar het lichtje. En ze willen samen met de pedagogisch medewerker onderzoeken. Bij het naar beneden gooien is het spannend om samen te raden hoe een voorwerp zal vallen. Laat maar een veertje zien: wat zal er gebeuren? Praten over wat er zal gebeuren – ook ‘onzin’ is prima – , samen kijken en benoemen. Dat alles is in de regel meer dan genoeg. Maar natuurlijk is er niets op tegen als de nieuwsgierigheid van de pedagogisch medewerkers door de kinderen wordt geprikkeld. Dan zijn boekjes met simpele verklaringen voor verschijnselen die kinderen zeer boeien erg handig. Natuurlijk kunnen pedagogisch medewerkers ook uitleg aan elkaar vragen.

Observeren en plannen

Kinderen hebben er recht op dat ze goed worden voorbereid op de volgende stappen in hun ontwikkeling; dat ze de kennis en vaardigheden hebben die in onze cultuur worden verwacht bij 4-jarigen en in het onderwijs. Wettelijk is er op dit gebied nauwelijks iets vastgelegd. Het dagverblijf helpt kinderen om de begrippen te leren die ze in de dagelijkse omgang met elkaar en hun materiele omgeving nodig hebben. Uit onderzoek blijkt dat de meeste jonge kinderen hiervoor geen gerichte extra stimulering nodig hebben. Het gewone spelen, praten met kinderen, meespelen en een gevarieerd activiteitenaanbod is voldoende.

Op natuurlijk wijze observeren welke begrippen het kind kent

Tijdens verstopspel: Waar zou de knuffel zijn? Ligt de knuffel aan die kant? Waar kun je kijken? Onder de tafel?" Zo kun je kijken of kinderen op die plek zoeken en begrippen als "onder" en "die kant" begrijpen.

270

Pedagogisch medewerkers beschikken over manieren om in de dagelijkse omgang te observeren of kinderen begrijpen wat een bepaald begrip betekent en of ze gericht zijn op het begrijpen van verbanden. Bijvoorbeeld bij het opruimen ‘leg de puzzel maar op de bovenste plank’; bij het eten ‘wie heeft nog het meeste melk in zijn beker?’ Als een kind regelmatig niet aan de verwachtingen van de leidster voldoet, bespreekt de leidster met haar collega’s of die hetzelfde observeren. Dan wordt met de ouders gesproken over hun ervaringen thuis. De leidsters en ouders kunnen extra aandacht besteden aan dit kind op dit gebied.

Samenwerken met de ouders

De samenwerking op dit gebied bestaat vooral uit informeren en uitleggen hoe en waarom de pedagogisch medewerkers kansen grijpen en bieden op dit gebied.

Bal en buis

Foto: Tessa van Schijndel - 271

Als een kind op enigerlei wijze afwijkt wordt dit besproken van de ouders. Als het kind bijvoorbeeld ruimtelijke begrippen niet begrijpt, wordt uitgewisseld hoe dat thuis is en in de groep. Maar een kind kan ook heel voorlijk zijn en meer ‘denkkluifjes’ nodig hebben. Dan kan ook samen met de ouders een plan worden gemaakt voor nieuwe uitdagingen voor dit kind.

  

Meedenkgroep
Liesbeth Vonk - Adviseur
Sylvia Deneer - Pedagoog factor-o
Judith Maas - Pedagoog 2samen
Jan Boom - Universitair docent UU
Willem Koops - Decaan UU
Maartje Raijmakers - Onderzoeker UvA
Tessa van Schijndel - Onderzoeker UvA

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: zaterdag 19 mei 2012.