Laatste wijziging van deze pagina: maandag 9 juni 2008 om 10:52 uur

De Praktijk – Hoofdstuk 19

Natuur en fysieke omgeving

Kees Both - Onderwijspedagoog

Ontdekken

Foto: Wilmie Colbers - 073

De kern

“Kleine Niels, dertien maanden oud, blakend, bloot en blij, kroop over het natte zand van het prachtige strand bij Kunduchi. Hij bewoog zich waar het land net geen zee en de zee nog net geen land was: daar waar de uitgeleefde golven zich moe tegen de glooiing opsleepten en zuchtend weer terug vloeiden of in het zand wegzakten. Telkens als dit gebeurde, verschenen er overal om hem heen kleine gaatjes in het zand, waaruit luchtbelletjes opborrelden. Dit waren sterke aandachttrekkertjes en Niels, met intense concentratie, pookte zijn mollige vingertjes in gaatje na gaatje, totdat een nieuwe golf ze allemaal uitveegde en weer nieuwe maakte.” (Jos Elstgeest, 1996)

Wie omgaat met jonge kinderen kan zulke verhalen vertellen. Niet alleen over een kind op het strand, maar ook in het bos, in een tuin, binnen spelend met de magneetjes van het treintje en ander spelmateriaal. In de kern gaat dit hoofdstuk over de vertrouwensrelatie met de natuur, over veiligheid, leren kennen van risico’s en over lustbeleving en over plezieren. Maar de kern gaat ook over leren en ontwikkelen: over het spontane leren van jonge kinderen door lijfelijk en zintuiglijke ontmoetingen en ‘erop afgaan’, en over de manieren waarop leidsters dit leren kunnen steunen en stimuleren.

Belangrijke ontwikkelingen van baby tot kleuter

Baby’s en dreumesen

Jonge kinderen worden geboren met een nieuwsgierigheid naar levende en niet-levende dingen. Bij de jongste kinderen uit zich dat vooral in aandacht voor en plezier in zintuiglijke ervaringen:

  • Voelen: de wind langs hun gezicht; stukjes schors, bladeren, steen, gras, zand, modder, kriebelend lieveheersbeestje in de hand; zon en schaduwkoelte op de huid; met de huid strelen van katjes, bloemen, koud (metaal) en warm (hout) aanvoelende dingen.
  • Zien: bladeren en takken bewegend in de wind; draaiend windmolentje, vlaggetjes of kleurde strookjes plastic in de boom; dansende mugjes, vliegen, vlinders, pissebedden; bladeren in de zon, schaduwplek; bloemen in diverse kleuren, takjes, paddenstoelen.
  • Horen: de wind giert, de regen tikt (op afdakje), schreeuwende kinderen, vliegtuig, auto’s, blaffende hond, zingende vogels.
  • Ruiken: bloemen, kruiden, water.
  • Proeven: vruchten, regen op je tong, sneeuw in je mond, hagel en ijs smelt op je tong.
  • Ervaren van ruimte: grote ruimte, nauwe ruimten (doorkruipen!), onder, boven, voor, achter, open en dicht (met en zonder dak).
  • Kruipen / lopen op diverse ondergronden, schuin, een heuveltje op en er ook weer af, omgaan met obstakels in de vorm van een tak, steen, etc.

Baby’s zijn ook al nieuwsgierig naar het effect van hun handelen. Bijvoorbeeld: ze laten een dennenappeltje vallen; horen het plofje op de grond; gebaren tegen de leidster dat ze de dennenappel terug willen; laten hem onmiddellijk opnieuw vallen; en lachen verrukt: wéér plofgeluidje!

Niels op onderzoek

Kindercentrum Noorderborch heeft in de kast met buitenspeelgoed potloepjes staan. Niels (3) neemt bij het naar buiten gaan een schepje en een potloepje mee. In de tuin schept hij aarde in het potje. De pedagogisch medewerker vraagt wat er in de aarde zit. Niels ziet een paar steentjes en legt deze apart. Binnen bekijken ze samen de steentjes onder een grote opzetloep. Opeens ziet Niels op 1 van de steentjes een klein spinnetje.

058

Peuters

Peuters leren ook door te voelen, ruiken, likken, proeven. Maar daarnaast zijn ze in toenemende mate gericht op het ontdekken hoe dingen werken. Ze zijn gerichter bezig met oorzaak en gevolg. Experimenteren en onderzoeken. Peuters worden als regel sterk aangetrokken door dieren en bloemen, dingen die bewegen of die je kunt laten bewegen, door water en zand/ grond, door kleuren en het spel van licht en schaduw, enzovoorts. Zij willen weten wat de dingen doen en wat je met de dingen kunt doen. Zij zijn ook op zoek naar patronen en verbanden.

Veiligheid en welbevinden

Vertrouwde relatie met de natuur

Jonge kinderen zijn van nature betrokken bij hun omgeving. Deze betrokkenheid uit zich in op dingen afgaan en opgaan in wat ze beleven. Ze kunnen zich verliezen in het kijken naar een beestje of met geconcentreerde aandacht onderzoeken of een bal even hard stuitert op gras dan op tegels. Leidsters koesteren deze open houding van kinderen koesteren leidsters, zodat kinderen hun vertrouwde relatie met de natuur kunnen in de loop van hun ontwikkeling kunnen verdiepen.

Fysieke veiligheid en gezondheid

Op de tractor

Ik durf op de tractor.
Foto: Ruben Keestra - 059

Leidsters en ouders willen aan de ene kant kinderen beschermen tegen gevaren en anderzijds hebben kinderen ruimte nodig voor hun ontwikkeling. Dit stelt eisen aan de inrichting van de ruimte, vooral de buitenruimte, en aan de manier waarop leidsters de kinderen begeleiden. Natuurlijk worden de kinderen beschermd tegen gevaren zoals giftige planten en loszittende treden van een trap. Maar 3-jarigen moeten ook leren dat een glasscherf kan snijden en pijn kan doen. Het is een subtiele zaak: kinderen op gevaren wijzen en tegelijkertijd hun ontdekkingsdrang niet aantasten. Het is een kwestie van goed in schatten.
Bij voorbeeld: In de tuin ligt een half ingegraven boomstam. Voor de grotere peuters is dit al niet moeilijk meer maar de kleinere tweejarigen kunnen er met moeite opkomen. De anders zo wilde T. is er net moeizaam opgeklommen. Heel behoedzaam loopt hij hoog boven het gras over de boomstam, zijn mond hangt in uiterste concentratie open. Triomf! Hij heeft het zonder vallen gehaald!

Lustbeleving en plezier

Het zien, proeven, voelen en ervaren van dingen in de natuur is een bron van lust beleven. Dat geldt ook voor het ontdekken, bewegen in de natuur en bezig zijn met techniek. Veel jonge kinderen spelen het liefste buiten.
Een voorbeeld: Het stortregent buiten en het is zomers warm. Er liggen plassen op de speelplaats. Een groep peuters wil naar buiten. Een leidster neemt een aantal vuilniszakken en knipt er snel mouwloze ‘jassen’ van. Schoenen gaan uit en vrolijk steken de peuters hun tong uit en proeven de regen. Lachend stampen ze om het hardst in de plassen.

Uitlokken tot ander spel

Een heuvel van steen lokt de kinderen uit tot ander spel. 
Foto: Ruben Keestra - 060

Leren en ontwikkelen

Spontaan spelen en leren en initiatieven van de leidsters

De natuur biedt een vrijwel oneindige hoeveelheid materiaal en indrukken aan kinderen om te leren en om zich te ontwikkelen. In onderscheid van speeltoestellen, biedt de natuur allerlei onverwachte en niet bedachte variaties. Jonge kinderen zien kansen om iets spannends te beleven, waar volwassenen die niet meer zien. Zoals langere tijd aandachtig met je handje klappen op het zand in de zandbak; steeds op en neer lopen met een emmertje water en dat legen in de zandbak; verrukt rondlopen met een rode ballon voor de ogen – de wereld ziet er anders uit! -; door de benen kijken – de wereld staat op z’n kop; buiten lopen in de regen. Ze eten ook zand en maken plantjes en dingen kapot; wat niet of alleen onder bepaalde omstandigheden mag.

 
Enkele nuttige elementen bij de inrichting van de buitenruimte
  • besdragende struiken die vogels aantrekken;
  • zand en water speelplaats;
  • een moestuintje;
  • planten die vlinders en andere insecten aantrekken en een beroep doen op verschillende zintuigen, die ‘iets doen’ en waarmee je iets kunt doen
  • een grote boom, die vruchten geeft: kastanjes, eikels, appels, de gevleugelde vruchten van de linde of de ‘helikoptertjes’ of ‘neusjes’ van esdoorns;
  • losse takken om mee te bouwen;
  • hutjes van uitgelopen wilgentakken;
  • stukken boomstam waar de kinderen op kunnen klimmen en waar dieren onder schuilen;
  • nestkastjes en voor in de winter een voedertafel voor de vogels;
  • een ingegraven staketsel om een hut te maken met takken, een doek, etc.;
  • materiaal waar de wind mee kan spelen – windorgel, molentjes, gekleurde lichte dunne slierten;
  • een afdak om te schuilen tegen regen en felle zon.
061

De pedagogisch medewerkers:

  • Creëren buiten en binnen een omgeving voor spontane ontdekkingen.
  • Geven de kinderen de ruimte voor ontmoeting en in eigen tempo opdoen van ervaringen
  • Beschermen de kinderen tegen gevaar en leren hen risico’s. Zonder hen avontuur en uitdagingen te ontnemen.
  • Herkennen wanneer kinderen ontdekkingen willen delen en wanneer ze kunnen bijdragen aan verdieping en plezier in het spel.
  • Stellen actieve vragen, verwoorden ervaringen en nodigen de kinderen uit om ervaringen weer te geven in tekeningen of exposities.

Dat is de basishouding van pedagogisch medewerkers bij het ondersteunen van spontane leren door ontmoeting en ervaring met de natuur. Daarnaast bieden de leidsters ook zelf activiteiten aan waardoor de spontane ervaringen van de kinderen worden verrijkt en verbreed.

Cognitief leren

Zintuiglijke ervaringen. Bij jonge kinderen gaat het om het leren kennen en onderscheiden van zintuiglijke ervaringen in alledaagse situaties. Alles is nieuw! Alles moet ontdekt worden! Dat melk koud en warm kan zijn. Dat blaadjes in de herfst een ‘herfstige’ geur hebben. Dat je sneller de heuvel af loopt dan op. Dat het vachtje van een hond lekker zacht voelt. In de hoofdstukken 'Bewegen en zintuiglijk waarnemen' en 'Geluid en muziek, dans en beweging' staan veel voorbeelden.

Aandacht voor veranderingsprocessen. Jonge kinderen zijn zeer geboeid door alles wat verandert. Eerst is iets er, en dan verdwijnt het. Jonge kinderen leren dat je iets kunt verstoppen; dat je een voorwerp dan niet meer ziet, maar dat het er nog wel is. Dat de zon achter wolken kan verdwijnen en weer terug komen. Dat hun voetje in een sok kan verdwijnen en weer terug komen. Dat stenen kopjes kapot vallen op de grond en plastic kopjes niet. Dat water verdwijnt in de zandbak en een schepje op het zand blijft liggen. Alles is interessant voor jonge kinderen en dat willen ze delen met de leidster.

Ordenen van natuurlijk materiaal

David (3,5) loopt met een lege eierdoos naar buiten. Hij begint uit zichzelf de vakjes te vullen met zelf gevonden materialen, soort bij soort: veertjes, zand, eikels, blaadjes, takjes, steentjes. Trots laat hij na een tijdje de verzameling zien aan de pedagogisch medewerker.

062

Veranderingsprocessen zijn belangrijk in de natuur, maar ook in dingen die mensen doen, zoals koken en bakken. Veranderingen veronderstellen het vergelijken in de tijd. Daarbij kunnen kinderen geholpen worden. Bijvoorbeeld door foto’s te maken van dezelfde boom op verschillende momenten. Bij het maken van groentesoep kunnen stukjes van ingrediënten bewaard worden die niet in de soep gaan en later vergeleken worden met de gekookte versies daarvan.

Aandacht voor verschillen en overeenkomsten. Al heel jong leren baby’s het verschil tussen de vertrouwde stem van hun ouders en de stem van een vreemde. Kinderen leren dat iets hetzelfde kan zijn, maar ook verschillend. Bijvoorbeeld twee blokjes, waarvan de een groot is en de ander klein; of waarvan de een wit is en de ander groen. In het hoofdstuk 'Meten, ordenen, bouwen en experimenteren' gaan we hierop verder in.

Aandacht voor als – dan relaties. Kinderen leren al heel jong dat hun handelen effect kan hebben. Dat als ze met hun arm schudden, er geluid komt uit de rammelaar. Ze leren anticiperen op gebeurtenissen. Bijvoorbeeld, als je knie bloedt en en je geeft er een kusje op, dan doet het minder zeer. Ze leren dat als je een hondje zachtjes aait, hij blijftzitten, maar als je te hard doet of knijpt, wil het hondje weg. Het snappen van als – dan relaties geeft kinderen meer greep op hun werkelijkheid.

Kippen

Samen naar de kippen kijken. 
Foto: Ruben Keestra - 063

Sociaal leren en communiceren

Delen van ervaringen. Jonge kinderen willen hun ervaringen delen met de leidster en andere kinderen. Als ze iets nieuws ontdekken, roepen en vraagkijken ze naar de leidster. Wat is dat? Is dat veilig? Kijk eens wat grappig? Ze herhalen de handelingen, kijken of weer hetzelfde effect optreedt. Ze betrekken andere kinderen erbij, die gaan imiteren of ook aandachtig kijken naar de ontdekking.

Leren van begrippen. De pedagogisch medewerkers verwoorden wat de kinderen zien, voelen, horen, ruiken of proeven. Tijdens het aan- en uitkleden benoemen ze de lichaamsdelen van het kind: hun hoofd, armen, benen, navel. Ze benoemen de kleuren, planten, dieren, bomen. Ze praten met de kinderen over de wind en de seizoenen.

Maken van tentoonstellingen. De leidsters kunnen met de kinderen kleine tentoonstellingen maken, foto’s en er verhaaltjes bij opschrijven over wat de kinderen hebben verteld en meegemaakt. In de herfst kan er een herfsttafel worden gemaakt, met bladeren, eikeltjes, beukennootjes. Of de kinderen kunnen samen een tafel maken met spullen en foto’s die bij ‘hond’ horen. Ook al kunnen de kinderen de verhaaltjes niet lezen, dan maken deze hen wel bewust van de betekenis van geschreven taal en het belang van hun ervaringen.
Een voorbeeld: Aan ouders wordt gevraagd om kinderen in een doosje dingen te laten meenemen die hen op dat moment fascineren. Een kind nam in een doos paddenstoelen mee die hij met zijn ouders in het bos had gevonden en vertelde daarover op het kindercentrum. Hij was heel trots dat hij de namen kende van de paddestoelen.

Takjes opruimen

“Ik heb een haag geknipt. Een hele hoop bladeren en takjes liggen ernaast. Ik vraag ze me te helpen opruimen. Ik wijs naar de container waar het afval naartoe moet. Ik vertel expres niet hoe ze het kunnen doen, maar er ligt wel van allerlei op het plein. Zelf zoeken ze naar allerlei mogelijkheden om de boel te vervoeren: een hark, een bezem, de handen, het aanhangertje van een driewieler, een doos.”

064

Moreel leren

In hun omgang met de natuur en fysieke omgeving leren kinderen om zorg te dragen voor dieren, planten, dingen en ruimten. Ze leren hun speelgoed opruimen; om te zorgen dat andere kinderen niet kunnen vallen over hun spullen; om afval in de vuilnisbak te doen of te hergebruiken.
Bij voorbeeld: Op agrarisch kinderdagverblijf De Bontekoe is er naast de tuin van de peutergroepen een kippen- en konijnenhok. Dagelijks brengt een aantal kinderen de resten van het fruithapje naar de dieren.
Kinderen willen ‘groot zijn’, meedoen met volwassenen. Zij moeten de kans krijgen om mede verantwoordelijk te zijn voor de zorg voor hun omgeving en de ‘levende have’ binnen die omgeving (‘milieuzorg’). Daarin kan hun betrokkenheid zich verdiepen tot verbondenheid.

Beeldende expressie, bouwen en techniek

Mooie dingen maken van dingen die kinderen hebben gevonden in de natuur (vindsels). Hierbij gaat het in de regel om technieken die aan kinderen voorgedaan worden. Bijvoorbeeld: het met elkaar verbinden van eikels waardoor een diervorm kan ontstaan; het maken van kransen van bloemen of een kroon maken van herfstbladeren. Sommige technieken zullen leidsters voor hun rekening nemen, gezien de nog beperkte motorische vaardigheden van de kinderen. Andere zullen ze voordoen. Een ‘eindproduct’ (bijv. de herfstbladerenkroon) waarmee je weer kunt spelen is een sterke stimulans voor gericht zoeken naar de benodigde natuurlijke materialen.
Voorbeeld: Er waren heel veel bloemetjes in het gras, Nora heeft ze geplukt. Met hulp van de leidster heeft ze een ketting gemaakt. Nu zijn Nora en de leidster bloemenmeisjes.

Bouwen en constructies maken. Steentjes en schelpjes nodigen uit om er een hoopje van te maken. Blokken nodigen uit tot stapelen en maken van torens. Dozen en takken nodigen uit tot maken van huizen om in te spelen. Natuurlijke materialen om dingen te maken (o.a. constructies) vragen een heel andere omgang dan gestandaardiseerde materialen zoals blokken, duplo of bakstenen. Bij het spelen met ‘ruwe’, natuurlijke materialen gaan kinderen op zoek naar bijvoorbeeld takken die passen bij de hut die ze willen maken, die min of meer passen in de situatie. Het vereist meer ‘luisteren naar het materiaal’ en creativiteit dan bij het werken met kant en klare dingen.

Techniek. Bij ‘techniek’ wordt vaak het eerst gedacht aan allerlei apparaten die kinderen al heel jong leren bedienen (bijv. de radio en dvd-speler), zonder te begrijpen hoe het werkt. Maar techniek is veel meer. In dit hoofdstuk wordt vooral gedacht aan de vele gereedschappen die het kind of de volwassenen in zijn omgeving dagelijks ter hand nemen. Daarbij is de relatie tussen vorm en gebruik zichtbaar. Denk daarbij bijvoorbeeld aan:

  • Het bereiden en eten van voedsel (zeef en vergiet, maatbeker, roerspanen, messen, pannen, allerlei soorten lepels, garde, pannenlappen en onderzetters, etc.).
  • Het reinigen van jezelf en van dingen en het huis (allerlei borstels, inclusief ‘vegers’, verstuivers, etc.);
  • Het ontdekken dat je vloeistof niet gemakkelijk van een bord kunt drinken maar wel uit een beker;
  • Andere dingen die met alledaagse handelingen en behoeften te maken hebben., zoals de knopen aan je jas, het klittenband in je schoenen, de kraan, het lichtknopje, de bel aan je fiets.
  • Het bouwen en maken van constructies (hamer, spijker, lijm, schaar, verfkwast, bakjes verf).

Gebieden van natuur en fysieke omgeving

Natuur en de fysieke omgeving omvatten veel elementen. Kinderen kunnen onmogelijk in het kindercentrum met alles in aanraking worden gebracht. Om een verantwoorde keuze te maken volgt hier een overzicht van gebieden:

Nuttige materialen, enkele voorbeelden
  • Voldoende regenkleding en laarzen
  • Een batterij borstels (= omgekeerde, goed vastgezette ruwe bezems), geplaatst bij de ingang om schoenen schoon te maken na het buiten spelen.
  • Loeps en loeppotjes
  • Bakjes om dieren in te doen om ze te bekijken en voor het maken van een ‘hotel’ voor het tijdelijk houden van kleine, buiten gevonden dieren
  • Een set zeven – voor grof tot en met zeer fijn materiaal voor ‘bodemonderzoek’, als extra materiaal voor het spelen met zand en grond.
066

Armen omhoog

Met je armen in de lucht! 
Foto: Ruben Keestra - 065
  • Aandacht voor de ‘oerelementen’ water, aarde, lucht en vuur, die van blijvende betekenis zijn voor de beleving van de natuur.
  • De jaargetijden als belangrijk gegeven. Verbondenheid met het weer, het licht en met de groei van planten en dieren.
  • Alledaagse praktische verschijnselen en situaties – zoals voeding en kleding, ziekte en gezondheid. Geboorte van broers en zussen..
  • Het eigen lijf van de kinderen, zoals hoofd, armen, benen, navel, plasser; en de zintuigen.
  • Facetten van de levende en niet-levende natuur en de techniek: planten en dieren, kracht, stoffen en hun eigenschappen, licht en kleur, geluid.
  • Facetten van het kinderspel: speelgoed dat bewogen kan worden, of te maken heeft met beweging, bouwen, construeren, jezelf mooi maken en mooie dingen maken.

Ter inspiratie volgen een nadere beschrijving en voorbeelden van activiteiten.

Weer en de seizoenen. Zon, wolken, regen, hagel, sneeuw, mist, ijs en rijp. Wind: richting (wolken en windvaan) en sterkte. Wat doet het weer met planten, dieren, dingen, mensen (reactie)? Dag en nacht (sterren, maan), daglengte en de seizoenen. Herfst, winter, lente en zomer beleefd aan planten (boom!) en dieren, kleding, buiten zijn. Jaarkalender (heb je.... gezien?’) voor waarnemingen aan dieren en planten. Seizoensfeesten.
Voorbeelden van activiteiten: Activiteiten in de regen, zoals in de plassen stampen, liedjes over de regen; onder moeders paraplu, het regent het zegent. Samen naar buiten onder een grote paraplu, luisteren naar de regen onder een afdak , water opvangen in een bakje of de regenton

Water en ijs

De pedagogisch medewerker heeft ijsblokjes in de tuin gelegd. Er naast staat een bak water. Marit (2,5) gooit een ijsblokje in het water. Vol verbazing blijft ze kijken naar het drijvende ijsblokje. Even later ligt de bak vol met “ijsbootjes”.

067

Water – zand – grond. Water is een bijzondere en veelzijdige stof. Het neemt de vorm aan van het vat waar het in zit. Je kunt er stoffen in oplossen, dingen mee schoonmaken, dingen in koken. Het kan niet alleen koken, maar ook bevriezen en dat ijs kan weer smelten. Het kan de vorm hebben van druppels (bij regen, op planten na een regenbui, bij zelf druppels maken) en stralen (spuiten, heel harde regen). Beestjes in water.
Voorbeelden van activiteiten:
‘Waterbouwkunde’: kanaliseren water, dijkjes en dammetjes, bruggen, water transporteren van hier naar daar. Water pompen.
Experimenteren met drijven en zinken (watertafel). Bootjes maken en laten varen.
Vormgeven met vochtig zand en modder. Soorten zand en hun eigenschappen (wat is goed vormzand?). Bodem zeven in deeltjes van verschillende grootte. ‘Taartjes’ en ‘pizza’s’ bakken.

Licht en kleur. Zonder licht zie je niets. Schaduw: Waar komt het licht vandaan? Waar is schaduw, waar niet? Spelen met schaduwen: vervorming, beweging. Kleurenspectrum, regenboog. Filters (kleurenbrilletje). Kleuren verzamelen en ordenen. Wat is rood? Spiegels en spiegelbeelden. Lachspiegels. Kijken naar het licht van de kaars die aan mag bij de kring ’s morgens vroeg.
Voorbeeld activiteit: De leidsters en de kinderen hebben verschillende kleuren vliegerpapier voor het raam geplakt. Nu is de groepsruimte heel mooi geworden en het licht verandert steeds.

Je lijf en je zintuigen. Hoe we eruit zien – verschillen en op elkaar lijken (je mamma, pappa, zus of broer). Wat er binnenin je zit. Je lichaam voelen: hart, zweet, buik, warm en koud, pijn. Wat je kan: bewegen, zien, horen, voelen (bijv. dingen op de tast herkennen), proeven. Geboorte, groeien, veranderen. Benoemen van lichaamsdelen.
Voorbeelden van activiteiten: Op een groot vel papier elkaars lichaam omcirkelen; of handafdrukken maken met verf. Voelen van elkaar haren en verschillen benoemen: donker, blond, lang, kort.
Elkaars lichaam bekijken, jij hebt ook een navel; jij hebt geen piemel, maar een spleetje.
Liedjes met gebaren waarin lichaamsdelen worden aangewezen.

Kleding en schoeisel. Bescherming tegen kou, warmte, regen, wondjes. Op blote voeten buiten. Kleren van omgeslagen doeken, genaaide en gebreide kleren. Kleren voor ‘mooi’ (feest) en voor buitenspelen. Sluitingen van kleding en schoeisel. Groeien en het te klein worden van kleding en schoeisel.
Voorbeeld activiteit: We trekken onze voeten om en kijken bij welke schoenen ze passen.

Voeding. Ingrediënten en hun herkomst (ervaren waar eten vandaan komt). Voedselbereiding (rauwkost en koken/bakken), gereedschappen daarvoor, verschillende handelingen en hun volgorde, veranderingen in stoffen, samen eten, smaak, afwassen, afval verwerken, kringloop.
Voorbeelden van activiteiten:
Spelletjes doen rond proeven: ze met een rietje uit verschillende bekers met melk, water, thee of appelsap laten proeven; bij het fruit eten verschillende soorten met de ogen dicht laten proeven.
Samen koekjes bakken.
Praten over waarom sommige kinderen bepaalde soorten eten niet mogen (ziektes en allergieën); over wat baby’s eten en grote kinderen; over hoeveel hun vader of moeder eten; wat ze thuis eten.
Voeren van dieren in de kinderboerderij.

Natuur in de tuin

“De groei van de komkommers wordt in de tuin nauwkeurig gevolgd nadat ik ze heb uitgelegd wat er met de komkommerbloem ging gebeuren.  Bijna dagelijks wordt ik door de kinderen op de vorderingen geattendeerd.”

068

Geiten

Kijk eens, misschien wil hij wel bij zijn mamma drinken. 
Foto: Ruben Keestra - 069

Bomen, planten en dieren. Kennis maken met grote verscheidenheid aan planten (inclusief bomen en struiken) en hun onderdelen (bladeren, bloemen, vruchten en zaden). Genieten van hun kleuren, vormen en geuren, spelen met dingen. Ook de verscheidenheid aan dieren, hun verschijningen en gedrag. Levensprocessen als groei, ontwikkeling, uitscheiding – poep vinden alle kinderen heel interessant! - voortplanting. Levenscyclus: ‘ei – jong – oud - ei’ en ‘zaad – groei – bloei – zaad . Soms wat ingewikkelder zoals bij kikkers en vlinders. Zorgen voor planten en dieren, gekweekte (tuinieren, kamerplanten, tamme dieren).
Voorbeeld activiteit: De kinderen en leidsters stoppen een boon in een jampotje met aarde, zien het groeien, leggen van die groei iets vast en zetten de plant in de tuin, waar ze de groei en ontwikkeling verder volgen tot en met de zaden. Of de pissebedden worden ontdekt onder bloempotten in de tuin.

Stoffen, hun eigenschappen en veranderingen. Al doende worden eigenschappen van textiel, houtsoorten of metalen ontdekt en soms nader onderzocht. Eigenschappen die direct door de zintuigen ervaren kunnen worden: hoe ze aanvoelen (maïzena voelt anders aan dan bloem), eruitzien, wat voor geluid ze maken bij aanraken en aanslaan, enzovoorts. Ingewikkelder zijn eigenschappen als waterdoorlatendheid bij textiel, het aangetrokken worden door een magneet (of niet) bij metalen, warmtegeleiding van keukengerei waarmee je in pannen roert. Stoffen kunnen veranderen: bij koken en bakken, stollen, smelten, oplossen, kristalliseren (zoutoplossing die ‘opdroogt’), verdampen.
Voorbeeld activiteit: Met een magneet wordt geprobeerd welke dingen ‘eraan vastplakken’. Op die dingen wordt een plaatje met daarop een afbeelding van de magneet gedaan.

Glijden, rollen, stuiten en draaien. Bij dit domein gaat het om het spelen en werken met krachten. Kinderen kunnen dingen van een zelfgemaakte helling laten glijden (vgl. een kiepauto) of rollen en het effect proberen te verbeteren. Ballen kunnen ze laten stuiten en onderzoeken waar en wanneer ze het best stuiten. Draaien is het duidelijkst bij wielen die om een as draaien, bij speelgoedautootjes en bij zelfgemaakte wielen. Wanneer draaien ze het best? Wanneer rijden autootjes het best? Kan je een wiel tot draaien brengen door water, door zand? Er zijn wielen die andere wielen laten draaien (tandwielen)en katrollen die een beweging ‘lichter maken’.
Voorbeeld activiteit:  Kijken naar een vrachtwagen die iets zwaars brengt – hoe dat uitgeladen wordt met een liftje en verder vervoerd wordt op een steekwagen. Foto’s van maken en er later over praten en spelen.

Bouwen en construeren. Het construeren kan gebeuren met natuurlijk, niet gestandaardiseerd materiaal: takken, natuursteen, e.a. En met blokken, bakstenen en andere gestandaardiseerd constructiemateriaal. Naar mate kinderen ouder worden wordt meer aandacht besteed aan het doel van het bouwwerk, de constructie, verbindingen en stevigheid.
Voorbeeld activiteit: Buiten een hut bouwen waar meer kinderen in kunnen van stokken en lappen, of van grote kartonnen dozen.

Inspelen op gelegenheden die zich voordoen

Er kan van alles gebeuren dat niet voorzien is zoals, harde wind, regen of sneeuw. Maak daar gebruik van.

Andere bijzondere gebeurtenissen kunnen ook benut worden, zoals: de geboorte van jonge dieren, reparaties aan speelgoed en aan het gebouw, kleine bouwwerkzaamheden. Plan dat soort werkzaamheden ook in de tijd dat de kinderen aanwezig zijn. Zij kunnen dan observeren en soms een handje helpen en gereedschappen in hun hand hebben. Ze zullen er in hun spel nog lang op voortborduren!

070

Gereedschappen en werktuigen. Hierbij staat centraal hoe de vorm van dingen ten dienste staat van het gebruik, de functie. Er zijn bijvoorbeeld ‘families’ van gereedschappen die min of meer verwante functies hebben, zoals borstels en kwasten: van bezem tot tandenborstel, van witkwast tot penseel. Andere dergelijke families zijn lepels, boren, tangen, e.a. Kinderen ontdekken wat je met gereedschappen kunt doen.
Voorbeeld activiteit: De tandenborstels zijn verdwenen. Hoe kan je dan je tanden schoonmaken?

Mooie dingen maken. Mooie dingen maken van natuurmateriaal: fantasiedieren, e.a. Bloemenkransen en andere versieringen van jezelf.
Voorbeeld activiteit: We maken een grote mobile van alle mooie dingetjes die we buiten vinden. Veertjes, stokjes of steentjes.

Illustratie
Genoeg ruimte om te ontdekken, verstoppen, bewegen.
Klik hier om een grotere afbeelding in een nieuw venster te openen
Illustratie: Simon Jongma
 

Observeren en plannen

Observeren

De pedagogisch medewerkers richten de ruimtes binnen en buiten zo in dat er voor de kinderen veel te beleven en ontdekken valt. Binnen deze ‘voorbereide’ omgeving gaan de kinderen aan de slag. De leidsters zullen in eerste instantie vooral observeren. De observatie richt zich op de volgende punten:

  • Waar wordt het kind in het bijzonder door aangetrokken?
  • Hoe gaat het met de dingen om? Is het ontdekken en onderzoeken? Of mooie dingen maken van natuurdingen? Of bewegend de dingen verkennen door erop te klimmen of onderdoor te kruipen?
  • Zijn er dingen waar het kind of een groepje kinderen vaker en langer mee spelen?
  • Heb je het vermoeden dat kinderen iets proberen uit te vinden, c.q. een vraag proberen te beantwoorden? Vragen van jonge kinderen zijn grotendeels nog impliciet, ‘verpakt’ in het handelen, zoals bij Niels in het beginverhaaltje.
  • Het herkennen van de vragen waar kinderen mee bezig zijn vraagt om specifieke kennis van de leidsters.
  • Welke begrippen beheersen de kinderen? Welke denkvaardigheden? Kunnen ze dit verwoorden?

Plannen van activiteiten en projecten

Trap

Bij het naar beneden gaan ziet alles er weer heel anders uit. 
Foto: Ruben Keestra - 071

Op basis van observaties – zie hierboven – worden kleine en grote activiteiten gepland, die voortbouwen op het spontane spel van de kinderen. De activiteiten kunnen betrekking hebben op individuele kinderen of op een groepje kinderen of soms de hele groep. Enkele malen per jaar bespreken de pedagogisch medewerkers welke leerervaringen de kinderen de afgelopen periode zijn aangeboden. Dat kan aanleiding zijn tot veranderingen in de binnen- en buitenruimte om spel uit te lokken. Ook kunnen de pedagogisch medewerkers projecten voorbereiden.
Projecten met een groep kinderen zijn activiteiten die sterker door de pedagogisch medewerkers gestuurd worden en een bepaalde taakverdeling kennen, zoals het bereiden van soep, het bakken van brood of koekjes, het maken van een salade, het buiten planten van bollen, het mee voorbereiden van feesten. De voorbereiding van activiteiten komt aan de orde in besprekingen tussen collega’s. Daarbij wordt aandacht gegeven aan de opbouw van de activiteiten, de benodigde materialen, de groepssamenstelling en de taakverdeling van de groepsleiding.

Samenwerken met ouders

De pedagogisch medewerkers geven informatie aan ouders over de visie van het dagverblijf op natuur en fysieke omgeving en hoe daaraan gewerkt wordt. Heldere informatie vanaf de kennismaking is van groot belang voor het vervolg van de communicatie tussen ouders en pedagogisch medewerkers. Met name het buitenspel moet aandacht krijgen. Het vies worden van de kinderen, risico’s en het leren omgaan daarmee horen daar zeker ook bij. Twijfelende ouders worden het best overtuigd als ze hun kind bezig zien, rechtstreeks en via verhalen en beelden.

De wonderen

De wonderen zijn de wereld nog niet uit,
maar of dat waar is, moet je zelf ontdekken.
Misschien wel aan de trekvogels die trekken
of aan de klimroos, of het fluitenkruid,
of aan het vliegtuig, sneller dan ‘t geluid,
aan de giraffen met hun lange nekken.

De wonderen zijn de wereld nog niet uit,
ontdek het maar en zoek op alle plekken,
de sterrenpracht, je hand, je eigen huid
de dorre boom waaraan het twijgje ontspruit,
de zon die uit de regen kleur kan wekken.
LUISTER EN KIJK! ONTDEK WAT HET BEDUIDT:
De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Han G. Hoekstra
072

Natuurbeleving en ontdekken van de fysieke omgeving lenen zich bij uitstek voor een levendige communicatie en samenwerking met ouders, omdat het zo concreet en materieel is. Kinderen nemen ouders die hen komen halen vaak mee naar hun favoriete ding, dier of plek om te laten zien wat ze beleefd hebben. Als kinderen enthousiast zijn kunnen ouders ook aangestoken worden, bijvoorbeeld om thuis ook soortgelijke dingen met hen te doen. Door kleine tentoonstellingen met bijvoorbeeld digitale foto’s van activiteiten en producten, kunnen ouders zien wat de kinderen gedaan en geleerd hebben.
Ouders kunnen verder:

  • Hand en spandiensten verlenen, bijvoorbeeld bij vervoer voor excursies, het maken van ontdekmateriaal, de aanleg van de tuin.
  • Op de groep komen om de kinderen iets te leren en te vertellen, bijvoorbeeld hoe je een band plakt; over hun hobby of beroep.

 

Meedenkgroep
Monnie Paashuis - Pedagoog SKAR
Marlou van Roy - Manager SKA
Mieke van der Kop - Pedagoog SKE
Henriëtte Gradussen - Pedagogisch medewerker SKAR
Marc Veekamp - Accountmanager Kinderopvang Veldwerk Nederland

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: zaterdag 19 mei 2012.