Laatste wijziging van deze pagina: maandag 9 juni 2008 om 10:49 uur

De Praktijk – Hoofdstuk 16

Bewegen en zintuiglijk waarnemen

Hanneke Poot - Kinderfysiotherapeute

Bewegen en zintuiglijk waarnemen

Foto: Ruben Keestra - 214

De kern

Jonge kinderen leren en ontwikkelen zich door bewegen en zintuiglijke ervaringen. Het eerste contact van het kind met de wereld is lichamelijk. Het kind voelt, ruikt, proeft het lichaam van zijn of haar moeder. Er ontstaat een ‘vraag-en-antwoord’ spel, een dialoog. Het kind beweegt of maakt een geluidje, en de ouder of leidster reageert hierop; daardoor leert het kind. Ook de niet-sociale omgeving leert het kind kennen en begrijpen door grijpen, bewegen en met de mond aftasten. Het eerste besef van zelf ontstaat door bewegen en zintuiglijk ervaren van de omgeving.

De ontwikkeling van bewegen – de zogenaamde motorische ontwikkeling – en van de zintuigen is genetisch verankerd. Alle gezonde kinderen zonder lichamelijke beperkingen maken op hoofdlijnen de eerste 4 jaar van hun leven een zelfde ontwikkeling door. Iedere kind dat zich veilig voelt en de ruimte krijgt, gaat op zijn buik liggen, zich omrollen, kruipen, zitten, lopen en springen. In de kern gaat dit hoofdstuk over hoe pedagogisch medewerkers de voorwaarden scheppen voor het actieve spontane leren op motorisch en zintuiglijk gebied.

Buik op kleed

Hoe krijg ik die bal te pakken? 
Foto: Monique Berger - 272

In alle hoofdstukken van het praktijkdeel van het curriculum komen aspecten van het motorisch en zintuiglijk leren aan bod. De motorische en zintuiglijke ontwikkeling vormen de basis voor de andere ontwikkelingsgebieden. Bij de verzorg-leerervaringen ging het vooral om de fijne motoriek en zintuigen. Denk maar aan ‘Eten en drinken’ : de baby die uit een beker leert drinken en dreumesen die verschillende smaken leren kennen. Of aan ‘Verschonen’ : het leren beheersen van de sluitspieren bij het zindelijk worden. In de hoofdstukken over speel-leerervaringen wordt voortgebouwd op dit hoofdstuk over de motorische en zintuiglijke ontwikkeling en pedagogiek. Zo gaan de hoofdstukken ‘Muziek en dans’ en ‘Beeldende expressie’ over specifieke vormen van motorische en zintuiglijke ontwikkeling; en wordt in deze hoofdstukken veel aandacht besteed aan de door pedagogisch medewerker aangeboden activiteiten. Het hoofdstuk over ‘Natuur en fysieke omgeving’ gaat over de rol van bewegen en de zintuigen in het ontdekken en ervaren van de wereld. Terwijl in het hoofdstukken ‘Samen spelen en samenleven’ en ‘Communicatie en taal de relaties tussen motorische en zintuiglijke ontwikkeling en communicatie verder worden uitgewerkt.

Belangrijke ontwikkelingen van baby tot kleuter

Samen bewegen is het allerleukste!

Jonge kinderen zijn dol op imiteren van leuke en gekke bewegingen. Bijvoorbeeld bij het naar binnen gaan. Een kind stampt het zand van zijn schoenen. Meteen doen de andere kinderen hem na. Lachen! Wat begint als een spontane actie wordt al snel in de groep een terugkerend ritueel.

215

Jonge kinderen maken een snelle lichamelijke ontwikkeling door. De verschillen in lichamelijk functioneren tussen baby’s en kleuters zijn enorm. De pasgeboren baby tot ongeveer 8 weken heeft ondersteuning van zijn of haar hoofdje nodig; de peuter die fietst en rent; de kleuter die kan knippen en bouwen. De kinderen ontwikkelen in rap tempo controle over hun eigen lichaam en hun bewegingsvrijheid neemt toe.

De lichamelijke ontwikkeling is een ononderbroken proces. De ene vaardigheid bouwt voort op de volgende. Op hoofdlijnen doorlopen alle kinderen dezelfde ontwikkeling. Maar ieder kind doorloopt die ontwikkeling wel op zijn of haar eigen manier. Het ene kind blijft lang kruipen, terwijl het andere kind maar korte tijd kruipt. Sommige kinderen leren zelfs eerder lopen dan kruipen. Het tempo van ontwikkeling verschilt enorm; 8 maanden verschil in leren lopen is bijvoorbeeld normaal.

Neurologische ontwikkeling

Als de baby geboren wordt, is het zenuwstelsel nog onvolgroeid. Het zenuwstelsel – de hersenen en het ruggenmerg – is het ‘informatiecentrum’ van het lichaam. Waarnemingen van de zintuigen worden naar het zenuwstelsel geleid. Op basis van deze informatie zendt het zenuwstelsel instructies naar spieren of interne organen. Deze informatie wordt opgeslagen in het geheugen. Zo ontstaan er verbindingen tussen verschillende soorten informatie en bepaalde bewegingen. Bijvoorbeeld, de baby ziet de leidster en strekt zijn of haar armpjes uit; het kind heeft geleerd een verbinding te leggen tussen zien van de leidster, uitstrekken van de armpjes en worden opgetild.

Jonge kinderen denken door te doen

Op een mooie zomerdag zit Djuna (2 jaar) in een badje. Ze kijkt aandachtig hoe de andere kinderen met hun handen op het water slaan en spetteren. Dan gaat ze imiteren. Klap op het water – spetters; klap – spetters; klap – spetters. Djuna onderzoekt het effect van haar handelen op water. Wat volwassenen in hun hoofd doen – nadenken over iets – doet Djuna door te doen en ervaren.

216

Bellen blazen

Fijne motoriek en oog-handcoördinatie. 
Foto: Ruben Keestra - 217

Voor de ontwikkeling van het zenuwstelsel is het nodig dat kinderen veel en veelzijdig bewegen en dat zij veel positieve zintuiglijke prikkels ervaren. Voor het leggen van verbindingen tussen zintuiglijke informatie en bewegen is veel herhalen nodig. Naast deze herhaling van bewegingen, met kleine variaties, is voldoende rust heel belangrijk De kinderen hebben de rust nodig om hun ervaringen te verwerken en op te slaan in hun geheugen.

De ontwikkeling van het zenuwstelsel heeft tijd nodig. Daarom kunnen kinderen bijvoorbeeld pas vanaf hun tweede jaar langzaam aan controle krijgen over hun blaas en sluitspieren. Als pedagogisch medewerkers of ouders voor die tijd met zindelijkheidstraining beginnen, moeten zij het initiatief nemen. Bijvoorbeeld door het kind op bepaalde momenten gelegenheid te geven om op de pot of wc te plassen. Maar kinderen zelf de verantwoordelijkheid geven, dus zelf laten opmerken dat ze moeten plassen of poepen, kan pas als ze daar neurologisch aan toe zijn. Voor de meeste kinderen heeft een dergelijke training pas zin nadat ze twee en een half jaar zijn.

Principes van ontwikkeling

De motorische en zintuiglijke ontwikkeling verlopen volgens een bepaald patroon:

  • Kinderen krijgen steeds meer controle over hun bewegingen. Baby’s hebben nog weinig controle over hun bewegingen. Ze worden geboren met reflexen en met automatische reacties zoals zuigen en hun hoofdje draaien in de richting van een vertrouwde stem. Door ervaring worden de automatische bewegingen verfijnd en meer gecontroleerd. Een volgende stap in de ontwikkeling is het leren van bewuste bewegingspatronen en lichaamscontrole. Kinderen kunnen bewegingen maken die bewust op een bepaald doel gericht zijn.
  • Voor het verkrijgen van meer controle over het bewegen, geldt:
    • De grove motoriek loopt van boven naar beneden: eerst controle over het hoofd, dan de nek, dan de romp, dan de armen en benen.
    • De fijne motoriek loopt van binnen naar buiten: eerst controle over de hele arm, dan de hele hand, dan de vingers.
  • Bewegen en zintuiglijke ervaringen vormen samen een systeem. Wat kinderen waarnemen en wat ze doen, gaan ze steeds meer op elkaar afstemmen, ze leren dit te coördineren. Bekende voorbeelden zijn de mond-handcoördinatie en oog-handcoördinatie. De baby kijkt naar iets en wil dat pakken. In eerste instantie graaien de armpjes in de lucht tot ze een voorwerp tegenkomen. Als ze iets vasthebben brengen ze dat naar de mond. Later leert het kind om diepte te zien en afstand in te schatten en gericht een voorwerp te pakken. Ook de oog-voetcoördinatie is van belang. Kinderen leren hun omgeving met hun voeten af te tasten. Verder leren kinderen hun balans vinden bij zitten, staan of lopen door hun bewegingen af te stemmen om wat ze om zich heen zien en in hun lijf voelen.

Veiligheid en welbevinden

In een veilige sensitieve en responsieve omgeving lijkt de motorische en zintuiglijke ontwikkeling bijna vanzelf te gaan. Het kind wijst de weg. De pedagogisch medewerkers zorgen ervoor dat de emotionele tank van het kind gevuld blijft. Ze geven positieve aandacht, kijken het kind goed aan en raken het kind liefdevol aan. Ze reageren ook rustig op het vallen en opstaan en de builen en schrammen die bij het leren bewegen horen. De pedagogisch medewerkers hebben respect voor de autonomie van het kind en tonen rust en geduld voor het eigen tempo van ontwikkeling van het kind.

Even rust...

Even rust. 
Foto: Ruben Keestra - 218

Bewegen en lustbeleving horen bij elkaar. Het pure bewegen en veelvuldig herhalen van bewegingen geeft jonge kinderen veel plezier. Daarom krijgen de kinderen alle ruimte voor spontaan bewegen. Soms geven de pedagogisch medewerkers tegendruk om het kind zijn of haar grenzen te laten ervaren en te helpen op een andere manier te reageren. Een energiek kind kan bijvoorbeeld soms baat hebben bij momenten van rust en stilte.

De pedagogisch medewerkers zorgen ook dat kinderen niet onder- of overprikkeld raken. De hoeveelheid prikkels die een kind kan verwerken is begrensd. Het is daarom van groot belang om een kind te begrenzen in de toevloed van prikkels, door momenten van rust en prikkelloosheid aan te bieden. ’s Middags even in bed, ook al slaapt het kind niet. Of een kind even alleen in een hoekje laten spelen, zodat het zich even kan terugtrekken en bij zichzelf kan blijven.

Bij onderprikkeling zijn er te weinig prikkels die de kinderen uitdagen. Ze gaan zich dan vervelen. Daarom is het belangrijk dat pedagogisch medewerkers er op letten dat er voor de kinderen voldoende variatie aan prikkels aanwezig is. Daarbij let ze er vooral op dat het aanbod goed aansluit bij de drang van kinderen om nieuwe bewegingen te oefenen en ervaringen op te doen.

Ten slotte zorgen de pedagogisch medewerkers natuurlijk voor fysieke veiligheid en een gezonde omgeving. Elke dag buitenspelen hoort daarbij.

Leren en ontwikkelen

Jonge kinderen hebben geen gerichte training nodig om zich motorisch te ontwikkelen. Ze leren op natuurlijke wijze tijdens hun dagelijkse activiteiten en spel. Baby’s krijgen van leidsters de tijd om zich om te rollen tijdens het verschonen en om hun hoofdje op te tillen en te kijken. Wanneer dreumesen en peuters ruimte en speelmateriaal krijgen om te rennen, kruipen, klimmen, glijden, springen, schommelen, steppen, fietsen gaan ze enthousiast op deze uitdagingen in. Vooral als de pedagogisch medewerkers positief staan tegenover hun bewegingslust en aanmoedigen om nieuw speelmateriaal te gebruiken. Zowel binnen als buiten komen de ruimte en speelmaterialen tegemoet aan een breed scala van bewegingsvormen die passen bij de grof motorische ontwikkeling van de kinderen.

Het tempo van het kind volgen

Het tempo van volwassenen is van nature hoger dan van het jonge kind. Daarom vraagt het extra aandacht om ons te richten op het tempo van het kind. Bouw pauzes in als je met de kinderen bezig bent bij het verschonen of bij een bewegingsspel.

219

Voor de fijne motoriek geldt hetzelfde. De dagelijkse verzorgings- en speelervaringen bieden kansen genoeg. Het vasthouden van de fles; inschenken van een beker melk; met een mes boter smeren; aan- en uitkleden bij het slapen en naar buiten gaan; spelen met blokken, puzzels, klei en verf; bouwen, knippen en plakken. De pedagogisch medewerkers zijn gericht op ‘plezier’ in bewegen en niet op corrigeren en aanleren van de ‘juiste’ beweging of techniek.

Bij het ondersteunen van het spontane leren van de kinderen op motorisch en zintuiglijk gebied gaat het om:

  • Ruimte en speelmateriaal geven voor zelfredzaamheid, spontane activiteiten en vrij spel
  • Het kind te laten doen wat het zelf kan. Leer het op de commode klimmen en er weer af, de trap op en af, als het kan lopen, laat het zelf naar zijn bedje lopen enz...
  • Uitlokken van spel door de inrichting van de omgeving
  • Uitlokken van spel door voorbeeldgedrag en door inspelen op de neiging van kinderen om elkaar te imiteren
  • Herkennen van spontane leerkansen en meespelen

We beginnen met het ondersteunen van de motorische ontwikkeling. Daarna volgt de zintuiglijke ontwikkeling.

Balans, coördinatie en geautomatiseerde reactiepatronen

Voor volwassenen is het heel normaal om te lopen of iets te pakken. We zijn ons niet bewust van de geautomatiseerde reactie- en coördinatiepatronen waarmee we onze balans bewaren en onze ogen en handen coördineren. Deze reactie- en coördinatiepatronen worden geleerd en geautomatiseerd in de eerste kinderjaren. Zonder deze patronen zouden we ons niet vrij kunnen bewegen. Ze zijn dus zeer belangrijk! Kinderen maken zich op een natuurlijke manier eigen. We zullen hiervan voorbeelden geven om te laten zien dat iedere houding en beweging van baby’s, dreumesen en peuters een betekenis, doel en functie heeft in de motorische ontwikkeling. Kinderen automatiseren reactie- en coördinatiepatronen door veel te herhalen; ook dat doen kinderen spontaan als ze de gelegenheid krijgen.

De oprichtreactie

In welke houding je lichaam ook is, je hoofd zal altijd zorgen dat het weer recht boven de romp komt. En de romp op zijn beurt, zorgt ervoor weer rechtop in de ruimte te komen.

Wat kun je doen om de baby gelegenheid te geven om deze automatische reactie spontaan oefenen?

  • Praten en oogcontact maken met de baby. De baby probeert dan zijn of haar hoofdje naar je toe te draaien.
  • Zorgen dat de baby tijdens het verschonen af en toe op zijn buik ligt. Spontaan zal de baby proberen zijn of haar hoofdje omhoog te houden.
  • Tijdens het verzorgen en spelen de baby in verschillende houdingen plaatsen. Steeds zal het kind proberen het hoofdje rechtop te krijgen.

Wip

Samen op de wip: leuk, spannend en een goede evenwichtsoefening. 
Foto: Ruben Keestra - 220
Gevoel van evenwicht: om zelf te ervaren

Ga zelf eens staan, met je voeten tegen elkaar en je ogen dicht.

Waar in het lichaam voel je de meeste activiteit om in evenwicht te blijven?

Heb je de neiging om naar voren te vallen of naar opzij?

De ogen helpen mee om het evenwicht te bewaren. Zo kun je beter het hoofd recht houden ten opzichte van de horizon. Zijn je ogen gesloten, dan moet je evenwichtgevoel dit hulpmiddel missen.

221
De evenwichtsreactie

Deze reactie treedt op als je je evenwicht verliest. Net als een tuimelaartje reageert ons lichaam op elke prikkel die ons uit balans wil brengen door onze spieren aan te spannen en overeind te blijven staan. Wat we zintuiglijk ervaren – diepte, oneffenheid, helling, daling – roept automatisch een motorische reactie op om het evenwicht te bewaren.

De pedagogisch medewerkers geven kinderen kansen om spontaan de evenwichtsreactie oefenen door:

  • Gelegenheid geven om door vallen en opstaan te leren.
  • Spelletjes met de baby op schoot waarbij je het kind even achterover laat vallen en opvangt. De meeste baby’s vinden dit prachtig! ‘Zo rijdt een damespaard, herenpaard en boerenpaard’ is ook een voorbeeld. Belangrijk is dat deze spelletjes niet te snel gaan. Bij een rustig tempo heeft het kind zelf controle over bewegingen en kan hij of zij de evenwichtsreactie oefenen.
  • Dreumesen, die net lopen, buiten laten spelen als het hard stormt. Ze waaien van hun sokken af, maar het knokken om overeind te blijven geeft een gevoel van zelfvertrouwen.
  • Laten ervaren van verschillen in hoogten en diepten: over banken klimmen, door kuilen kruipen, trap op, glijbaan af, schommelen, omhoog vliegen boven je hoofd, het kind op de kop houden, rondzwieren et cetera.
  • Veel buiten spelen. Buiten doet een groter appel op het evenwichtgevoel dan binnen. Binnen is alles voorspelbaar, glad en stil. Buiten is alles in beweging, de wind waait je soms zo omver, er is meer ruimte en de verre horizon is er als oriëntatiepunt.
  • Op verschillende soorten ondergrond laten spelen. Op gras spelen is heel anders dan op zand of op steen; het evenwicht wordt op een andere manier aangesproken en geoefend.
  • Laten rollen van een duin af, of: maak een heuvel van een bank of kussen, waar zij vanaf kunnen rollen.
  • Spelletjes als op de grond gaan liggen en erna gaan staan; zitvolleybal.
  • Liggend spelen met een ballon; met armen en benen de ballon in de lucht houden.
  • Spelletjes als in één houding stilstaan (standbeeld maken). Kinderen rond laten lopen en na een klap in de handen in die houding laten bevriezen.
  • Loopfietsen en driewielers. Zijwieltjes op de fiets zijn minder geschikt, omdat ze het kind belemmeren om goed zijn of haar evenwicht te oefenen.
De steunreactie

Hoe jong een baby ook is, raak je de voetzolen aan dan strekt hij de beentjes. Die aanraking prikkelt de spieren om te voorkomen dat de benen doorzakken. Deze reactie is een voorwaarde om te leren staan en lopen. Ook de armen kennen deze steunreactie: als de handpalm iets voelt strekt het de arm. Het oefenen van deze reactie doet het kind in eerste instantie als het op zijn buik ligt. Het steunt op beide gestrekte armen. Het is een voorwaarde om te gaan kruipen, want als het niet goed kan steunen op zijn armen zal het kind steeds op zijn gezicht gaan.

Voorbeelden van activiteiten waarin kinderen spontaan de steunreactie oefenen zijn:

  • Baby op je schoot laten staan en springspelletjes doen. Maar niet te lang.
  • Geef ruime gelegenheid voor kruipen en uitdagende omstandigheden zoals kruipen over speelkussens, over de leidster die op de grond ligt.
  • Geef de baby gelegenheid om zichzelf op te trekken, staan en lopen langs meubilair.
De opvangreactie

Val je, dan gaan automatisch je armen naar voren, naar achter of opzij, om je op te vangen. Bij jonge kinderen is de steunreactie nog niet voldoende geoefend. Daarom zie je heel kleine kinderen zó omvallen: ze vangen zichzelf nog niet automatisch op.

Kinderen oefenen spontaan de steunreactie tijdens:

  • Op de buik van de glijbaan af te gaan.
  • Op de buik op de skippybal liggen en heen en weer bewegen.
  • Veel alleen lopen, niet aan de hand. Als een kind aan de hand loopt en het dreigt te vallen, is de volwassene snel geneigd om het vallen te voorkomen door het kind te pakken of op te tillen.

Oog- hand- en oog-voetcoördinatie

Aan de samenwerking tussen ogen en handen gaat de mond-handcoördinatie vooraf. De eerste tastervaringen van een baby gaan via de mond. Alles wat hij tegenkomt, brengt hij naar zijn mondje en zo verkent hij de wereld. Later gaan ook de handen en de hele huid mee doen met het ervaren van de omgeving. Maar kinderen verkennen ook de wereld door te trappelen. Ze zijn net zozeer geneigd om naar een speelding te trappelen als om het te grijpen. Het trappelen is een eerste vorm van de oog-voetcoördinatie.

Kinderen oefenen spontaan de coördinatie van zintuigen en motoriek met de volgende materialen en activiteiten:

  • Leg speeltjes niet alleen binnen, maar ook iets uit het bereik van kinderen, zodat zij moeite moeten doen om te reiken en het te pakken.
  • Ballonnen en zeepbellen zijn leuke materialen om een kind te helpen grijpen. Geef het kind volop de ruimte om van alles te pakken en dit te proeven. Hierbij is van belang dat het ongehinderd met zijn handje naar zijn mondje kan gaan.
  • Het aanbieden van ongestructureerde en natuurlijke materialen, zoals zand, modder, takjes, steentjes, gras, klei, water, kastanjes bieden vele tastervaringen.
  • Krassen – met (stoep-)krijt en potlood – werkt stimulerend, net als smeren met verf en scheerschuim.
  • Baby op de rug leggen zodat het kind zijn of haar eigen voetjes kan vastpakken.
  • Een rammelaar spannen boven de wieg waar het kind naar kan trappelen. Hang dit, evenals een babygym, op kniehoogte, zodat het kind moeite zal doen om omhoog te komen.
  • Grote ballen om samen over de rollen.
  • Ballen om te vangen en te schoppen.

De grove en fijne motoriek

Leren zitten

Zelf leren zitten. 
Foto: Ruben Keestra - 224
Grote verschillen in tempo van motorische ontwikkeling zijn normaal.

  Percentage kinderen dat mijlpaal bereikt in maanden
Motorische mijlpalen 25%
op de
leeftijd
van
50%
op de
leeftijd
van
75%
op de
leeftijd
van
90%
op de
leeftijd
van
Tilt hoofd op 1,3
mnd
2,2
mnd
2,6
mnd
3,2
mnd
Rolt zichzelf om 2,3 2,8 3,8 4,7
Zit zonder steun 4,8 5,5 6,5 7,8
Trekt zichzelf op tot staan 6,0 7,6 9,5 10,0
Loopt met vasthouden aan meubels 7,3 9,2 10,2 12,7
Loopt los 11,3 12,1 13,3 14,3
Kan traplopen 14,0 17,0 21,0 22,0
Schopt bal vooruit 15,0 20,0 22,3 24,0

Bron: Frankenburg en anderen, 1981.
225

Welke fasen in de motorische ontwikkeling zijn nu zo belangrijk voor het kind om goed door te maken en hoe zien deze eruit? En op welke manier kun je als leidster hierop in spelen?

De gebogen fase

Een pasgeboren kind ligt in een gebogen houding. Op deze wijze kan het kind zijn handen en voeten naar zijn mond brengen om zo zijn eigen lichaam te leren kennen en verkennen. Dit is dé fase waarin het kind letterlijk alles aftast en zo leert hoe materialen voelen, kunnen vervormen en veranderen. Ook peuters stoppen nog veel in hun mond. Het is goed om het kind daarin zijn gang te laten gaan. Natuurlijk zorgen de pedagogisch medewerkers ervoor dat er geen gevaar is voor vergiftiging of verstikking.

Strekfase

Vanuit de liggende gebogen houding ontwikkelt het kind een geheel gestrekte houding. Deze gestrekte houding beoefent het kind goed in buiklig. Eerst zal het hoofd zich opstrekken, dan de romp, de armen en de benen. Als het goed gestrekt is, lijkt het of het wil gaan vliegen. Pas als het strekken van de romp goed lukt, kan het kind goed gaan rollen.

Wat betreft de fijne motoriek kunnen ze in deze fase een speeltje vasthouden.

  • Speeltjes geven die baby goed kan vasthouden en veilig in de mond kan stoppen.
  • Spelletjes met speeltjes laten zien, rammelen en geven.
Het omrollen

Baby’s gaan rollen en daarna gaan ze zich omrollen. Ze draaien eerst hun hoofd om – bijvoorbeeld als reactie op een geluid – waarna de romp en benen zich verder draaien. Omrollen is belangrijk voor de ontwikkeling van het evenwicht.

  • Ook voor peuters is het van belang te rollenbollen, zoals van een verhoging, een duin of een zelfgemaakte helling met matten. Koppeltje duiken over de rugleuning van een bank is ook favoriet bij veel kinderen.
  • Het inwikkelen in een deken en dan weer uitwikkelen is voor een kind groot plezier en stimuleert het ontwikkelen van het rollen.

Wat betreft de fijne motoriek leren de kinderen tussen 5 en 8 maanden om gericht naar een speeltje te reiken en om een speeltje van de ene naar de andere hand over te brengen.

  • Spelletjes met speeltjes overgeven aan elkaar. Om beurten een rammelaar laten rammelen.
Vrijheid van bewegen.

Baby’s hebben veel bewegingservaring en -vrijheid nodig. Dus laat ze niet te lang in een maxicosi of wippertje zitten. Ze belemmeren de bewegingsvrijheid en het is niet goed voor kinderen om lang liggend of hangend te zitten. Een wippertje kan handig zijn om een baby te voeren. Op andere momenten hoort het kind op een vlakke ondergrond waar het kan bewegen en voelen.

226

Kruipen en lachen

Kruipen = Vrijheid
Foto: Monique Berger - 273
Het kruipen

In het tweede helft van hun eerste levensjaar gaan kinderen kruipen. Kruipen geeft kinderen voor het eerst in hun leven de mogelijkheid om zelfstandig op onderzoek uit te gaan. Het kruipen is eveneens belangrijk voor het verder ontwikkelen van het evenwicht. Kruipen speelt ook een grote rol bij de cognitieve ontwikkeling. Al kruipend ervaart een kind wat het is om onder de tafel te zitten, achter de bank te kruipen, over een kussen te gaan etc.

  • Een baby begint vaak met achteruit kruipen. Dit wordt veroorzaakt door de steunreactie in de armen, die het kind naar achteren duwt. Het krijgt vanzelf door dat het ook met gestrekte armen vooruit kan.
  • Voor peuters blijft kruipen een geliefde activiteit die goed is voor hun ontwikkeling. Een hindernisbaan waar peuters door, over, achter kunnen kruipen, geeft veel plezier en stimuleert de ontwikkeling. Ook het kruipen op verschillende ondergronden zoals tapijt, zand, stenen en dergelijke geven een kind veelzijdige ervaringen.
Het gaan zitten

Voor het eerst alleen zitten doen kinderen tweede helft van het eerste levensjaar. Het zitten wordt verder geoefend in de peuter- en kleutertijd. Goed zitten, dus met gestrekte rug en op de zitbeenknobbels, is een kunst die ieder kind moet leren en oefenen. Want stilzitten is de voorwaarde om je goed te kunnen concentreren en daardoor kennis tot je te nemen.

  • Zet een kind nooit in zit, laat het zelf tot zitten komen. Hierdoor leert hij of zij zich inspannen om iets te leren. Vanuit het platte vlak moet een kind hard werken om overeind te komen.
  • Als een kind zelf is gaan zitten zijn spelletjes in zit een goede stimulans. Het met elkaar omhoog houden van een ballon, overgooien of rollen van een bal, het zitten op een skippybal, het zittend bouwen van een hoge toren, het proberen te vangen in zit van zeepbellen, helpen het zitten verder op te bouwen.

Houvast

 De baby heeft houvast nodig om zich te kunnen optrekken en zich staande te houden. 
Foto: Ruben Keestra - 227
Het gaan staan

Voor het leren staan hebben kinderen spierkracht nodig in de benen, en deze hebben zij kunnen oefenen tijdens het kruipen. Als een kind gaat staan, dan is dat een belangrijke mijlpaal.

Ook op het gebied van de fijne motoriek worden er belangrijke mijlpalen bereikt. Tussen 8 – 9 maanden gaan baby’s hun hand specifieker gebruiken. Voordien pakten ze voorwerpen met de hele hand vast. Nu leren ze voorwerpen met duim en wijsvinger vast te pakken. Ze gaan wijzen als ze iets willen en kunnen met hulp hun beker vasthouden.

  • Baby’s vinden het leuk om met stapelbekers te bouwen.
  • Vastpakken van en rollen met grote ballen.
Loopervaring en inschatten van eigen vaardigheden.

Dreumesen en peuters die veel lopen, schatten hun eigen vaardigheden beter in dan kinderen met weinig loopervaring. De veellopers weten beter of ze over een barrière kunnen klimmen of door een nauwe opening kunnen. Ze passen hun loop ook beter aan aan het terrein, de glooiing of hobbeligheid.

Dana Gross, 2007
228
Lopen

Tussen 9 en 17 maanden zetten baby’s hun eerste stapje. Rond hun eerste verjaardag zien we duidelijke voorkeuren tussen kinderen op motorisch gebied. Elk kind kiest welke weg hij of zij verder gaat. De een zal zich verder gaan bekwamen in de grove motoriek: rennen, klimmen, springen, etc.. Een andere groep richt zich vooral op de fijne motoriek: tekenen, kralen rijgen, puzzelen, bouwen met duplo en een groep kinderen richt zich op de taal ontwikkeling en gaat praten. Als een kind heel intens bezig is met fijne motorisch bewegen, kan de grof motorische ontwikkeling tijdelijk vertragen. Uiteindelijk komen zij allemaal rond hun 8e jaar tot dezelfde ervaringen en is het zenuwstelsel gerijpt.

De zintuigen

De tastzin

De tastzin is voor jonge kinderen heel belangrijk. In huid- en lijfcontact vindt het kind veiligheid, geborgenheid en troost. Maar ook plezier in het knuffelen en aaien. De meeste jonge kinderen kunnen niet lang zonder huid- en lichaamscontact. Onze grootste tastzintuig is de huid. De huid is onze grens met de buitenwereld. Bij huidcontact voelen we ons sterk verbonden. Het bewust ervaren van hun huid helpt jonge kinderen om een beeld te krijgen waar hun lichaam ophoudt en de wereld om hen heen begint.

Zand voelen

Voelen en ervaren: zand in je hand. 
Foto: Monique Berger - 274
De huid toont onze emoties:
  • we zien rood van kwaadheid
  • we zien groen bij misselijkheid
  • we zien bleek van schrik
  • we zweten van angst
  • we krijgen kippenvel van de kou
  • we zien blauw van benauwdheid...
229

De tastzin speelt ook een grote rol in het verkennen van de wereld. Alles wat een baby voelt en pakt, brengt hij naar zijn mond om het te verkennen. De vele zenuwuiteinden in de mond zijn heel gevoelig. Prikkels via deze zenuwuiteinden worden in het geheugen opgeslagen. Zo vormen baby’s zich indrukken van hun omgeving via het gevoel: hard-zacht, ruw-glad, koud-warm, groot-klein et cetera. Voor de cognitieve ontwikkeling is dit een eerste aanzet tot opslaan van kennis: kenmerken van dingen, dieren of mensen.

Zodra de baby zijn of haar handen opent, worden deze een belangrijk tastzintuig. De handen bouwen dan voort op de gevoelservaringen die met de mond zijn opgedaan.

De huid toont ook onze gevoelens. Volwassenen en kinderen worden rood van boosheid en bleek van schrik. Kinderen leren heel jong dit soort huidsignalen van hun ouders of leidsters. Maar het bewust waarnemen van eigen huidsignalen komt pas op de basisschool.

Vertrouwen

Lichamelijk contact geeft vertrouwen en zelfvertrouwen. 
Foto: Ruben Keestra - 230
Aandachtspunten bij lichaamscontact

Met aanraken laat je het kind voelen dat het er mag zijn en je maakt wezenlijk contact met het kind. Dit is niet alleen belangrijk voor baby’s, maar zeker ook voor dreumesen en peuters. Aan het lichamelijk contact voelt het kind of de leidster respect voor hem of haar heeft. De hersenen slaan ook deze ervaringen op, waardoor het kind vertrouwen én zelfvertrouwen kan ontwikkelen.

  • Raak een kind nooit zo maar aan, maak eerst oogcontact. Kijk ook tijdens de aanraking het kind aan. Belangrijk is dat de leidster kijkt, maar ook luistert naar het kind. Wíl het kind wel aangeraakt worden? Respect is hier het sleutelwoord.
  • Aanraken en knuffelen in een sfeer van rust geeft warmte en geborgenheid. Bevestig het kind en bemoedig het zo aan. Het kind beleeft dan plezier aan zijn eigen lijf. Het doet zo ook lichaamskennis op.
  • Maak van het moment van verschonen en verkleden een speciale gelegenheid waarbij het kind alle aandacht krijgt, wordt aangeraakt en uitgenodigd wordt om te bewegen
Kinderen die op tastprikkels overgevoelig reageren

Deze kinderen voelen één prikkel als vele prikkels. Strelen en kriebelen zijn voor hen dan ook zeer onaangenaam. Het beste kun je deze kinderen stevig vastpakken met je hele hand, niet met je vingertoppen. Rustige en stevige druk geven over hun lijfje is de beste wijze om hen te laten ontspannen en tot rust te brengen. Een warm bad kan ook heel ontspannend zijn, evenals een warme waterzak of kruik.

Kinderen die op tastprikkels ondergevoelig reageren

Deze kinderen ervaren vele prikkels als één. Voor hen is het belangrijk om verschillende prikkels te kunnen ervaren. Maar ook dit vraagt langzaam opbouwen en dus veel geduld. Je kunt een lange aanlooptijd nodig hebben om van stevig vastpakken te komen naar strelen en kriebelen, maar dat is de moeite meer dan waard. Ze hebben vele tastervaringen nodig. Materialen als scheerschuim, zand, water, klei, brooddeeg en modder zijn goede stimuli.

Uitlokken van ervaringen met de tastzin:
  • Spelletjes met warm/koud, hard/zacht, hoog/laag, glad/ruw, kleverig/nat zijn geweldige prikkels. Ook verschillende materialen als hout, diverse soorten stof, metaal of kunststof geven het kind veel informatie.
  • Rollen in zand, gras, modder, een bak met kastanjes, erwten, rijst, een baal hooi, een stapel bladeren, door de sneeuw, over stenen, door grind. De wind die blaast, de zon die schijnt, de regen op je gezicht, de temperatuur in de schaduw én in de zon: ga er heerlijk mee spelen. Je kunt het de kinderen eindeloos aanreiken.
  • Er zijn vele liedjes waar kinderen lichaamsdelen aanraken of elkaar aanraken. Dit kan verder gestimuleerd worden met schminken, bodypainting, scheerschuim, vinger- en voetverven et cetera.
  • Leidsters kunnen kinderen op verschillende manieren tastprikkels geven: stevig vastpakken, strelen, kriebelen, zachte drukkingen, lichte tikjes op de billen... Als ze dit begeleiden met praten, zingen, neuriën of een speciaal muziekje, bouw je hiermee kostbare herinneringen voor de kinderen op.
  • Laat kinderen eten met hun handen. De mond-handcoördinatie wordt hierbij ondersteund, en kinderen eten met veel plezier omdat zij het eten kunnen verkennen. Kindermenu’s zijn ook vaak gerechten die bij uitstek met de handen worden gegeten, zoals patat, pannenkoeken, pizza, etc..
  • Denk ook aan massage! Bij het verschonen of als een kindje even lekker bij je komt zitten, is het goed de handjes en de voetjes te kneden, de tenen en de vingers stevig vast te pakken, te strelen en aan te drukken. Dit biedt veel ontspanning, terwijl je de bewustwording van het lichaam vergroot en bovendien de huid prikkelt, waardoor de doorbloeding verbetert.
  • Let op met kietelen, zeker als het je eigen kind niet is. Kietelen prikkelt de zwakke plekken stevig. Je gaat snel over de grenzen van het kind heen.

Horen...

Dat klinkt leuk! 
Foto: Ruben Keestra - 231
Het gehoor

Pasgeboren kinderen besteden speciale aandacht aan de menselijke stem. De menselijke stem verkiezen ze boven andere geluiden. Bovendien hebben ze al een duidelijke voorkeur voor de vertrouwde stem van de moeder. Waarschijnlijk bouwen ze voort op hun ervaringen met de stem van hun moeder die ze vanuit de baarmoeder hebben ervaren.

Als de aandacht van een jong kind wordt getrokken door een geluid, wendt het zijn of haar hoofdje daar naar toe. Dat kunnen ze bijna even goed als oudere kinderen en volwassenen. Maar baby’s kunnen nog niet zo goed achterhalen waar het geluid precies vandaan komt als volwassenen.

Van alle geluidsprikkels uit onze omgeving, registreren onze volwassen oren er zo’n 75% bewust. We kunnen selectief luisteren. Jonge kinderen kunnen soms onvoldoende geluiden buitensluiten. Er ontstaat dan overprikkeling. Het kind wordt druk, gaat steeds harder praten – tot schreeuwen toe – en kan zich moeilijk concentreren.

Moeders, vaders en pedagogisch medewerkers praten in de regel op hoge toon tegen baby’s en dreumesen. De hoge tonen trekken sterker de aandacht van jonge kinderen dan lagere.

Via het gehoor bouwen we belangrijke herinneringen op. Een bepaald liedje brengt je direct bij de gebeurtenis waarin dit liedje een rol speelde en roept ook de bijbehorende beelden en gevoelens terug. In het Hoofdstuk ‘Muziek en dans’ gaan we hierop verder in.

Het zien

Bij de geboorte is het zien het minst ontwikkelde zintuig. Pasgeboren kinderen kunnen slecht kleuren zien en focussen. Maar de scherpte van het zicht neemt snel toe. Rond 6 maanden kunnen de meeste baby’s bijna even scherp zien als volwassenen. Ze kunnen dan ook de omgeving scannen en bewegende objecten volgen.

Baby’s hebben een duidelijke voorkeur voor het menselijke gezicht. Ze kijken bijvoorbeeld langer naar een tekening van een gezicht (ogen, neus en mond), dan naar een tekening van ronde vorm met daarin willekeurige stippen en strepen.

Zodra baby’s hun visuele gezichtsveld gaan verkennen, leren ze onderscheid te maken tussen kenmerken van voorwerpen en de ruimte. Baby’s die kruipen kunnen al diepte waarnemen. Ze stoppen aan de rand van een tafel of verhoging.

Oogcontact is een voorwaarde voor goede, oprechte communicatie tussen mensen. Ieder mens wil gezien worden, ook kinderen. Als een kind je iets vertelt en je kijkt hem niet aan, ervaart hij dat alsof je geen interesse hebt in zijn verhaal of zelfs in hem zelf. En een kind wat iets verkeerd heeft gedaan of iets wil verbloemen, durft je meestal niet aan te kijken.

Draaien

Als je kunt omrollen, zie je de wereld van een andere kant. 
Foto: Monique Berger - 275

De ogen zijn bij uitstek een zintuig dat de evenwichtsorganen steunt. Met onze ogen schatten we de afstand in tot dingen (diepte-zien), omdat het linkeroog en het rechteroog samenwerken. Het kind leert reageren met zijn lijf op wat het ziet.

Sommige kinderen zijn overgevoelig voor visuele prikkels. Ze reageren angstig op allerlei veranderingen en worden overactief of juist teruggetrokken. Deze kinderen zijn gauw moe en geïrriteerd. Hoofdpijn wordt vaak als klacht gehoord. Voor hen is een rustige visuele omgeving belangrijk, met zo weinig mogelijk felle kleuren. Pastelkleuren zijn het beste en voor de enkele dingen die wél de aandacht mogen trekken, kies je dan primaire kleuren.

Ervaringen die kijkgedrag uitlokken zijn:
  • Een baby is gefascineerd door gezichten. Als ouder of verzorger kun je hier eindeloos mee spelen, samen met het kind.
  • Rood is de eerste kleur die een baby leert zien. Later trekken alle felle kleuren de aandacht. Die wetenschap kun je benutten als je de kinderen wilt prikkelen tot actie. Maar te veel primaire kleuren leidt tot overprikkeling.
  • Spelletjes als “ik zie, ik zie wat jij niet ziet”, of zoek- en verstopspelletjes.
  • Samen in de spiegel kijken en lichaamsdelen aanwijzen.
  • De natuur is een onuitputtelijke bron: een bloem bekijken, beestjes zoeken, zaadjes in de grond stoppen en zien opkomen, de vele kleuren van bloemen, fruit, groente.
  • Laat ze ernaar kijken, aan ruiken en – als dat kan – proeven. Hierover gaat het hoofdstuk ‘Natuur en fysieke omgeving’ .
  • Kijken door gekleurd papier van bijvoorbeeld snoeppapiertjes kan fascinerende beelden opleveren.

Proeven en voelen

Proeven en voelen. 
Foto: Ruben Keestra - 232
Het proeven en ruiken

Het eerste wat een baby ervaart, die direct na de geboorte bij zijn moeder wordt gelegd, is haar geur. Het is de geur van geborgenheid. De zoete moedermelk is de eerste smaak waarmee de baby kennismaakt. Als het kindje ouder wordt, stimuleren we het om ander voedsel te eten. We zien dan dat vooral fruit hoog scoort, vanwege de zoete en dus al vertrouwde smaak. Het hoofdstuk 'Eten en drinken' gaat hier verder op in.

Smaak en reuk zijn ook de zintuigen van het genieten, van het plezierige verlangen: ze zijn de smaakmakers van het leven. De geur van zelfgebakken appeltaart, van versgezette koffie, van dat heerlijke parfum... Vele herinneringen aan plezier, liefde en geborgenheid zijn onlosmakelijk verbonden met smaak en geur.

Ervaringen die ruiken en proeven uitlokken
  • Vaak in de frisse lucht te brengen. Buitenspelen dus, ook met regen! Want daar kan een kind zich heel goed op kleden
  • Let wel op met kinderen met een allergie die door zaadjes en dergelijke geprikkeld wordt. Wees hierin ook alert als we kinderen van allerlei laten ruiken zoals aan bloemen e.d..
  • Bij verkoudheid is buitenlucht het beste medicijn.
  • Frisse lucht verhoogt de opname van zuurstof in het bloed. Daardoor verbetert de doorbloeding en komen de slijmklieren tot rust.
  • Nodig kinderen uit om het ‘ruiken’ te verkennen. Bloemen en kruiden hebben elk een eigen geur. Laat ze ruiken aan pindakaas, een appel of aardbei, aan pas gemaaid gras (let op bij allergie), aan hondenpoep... Bespreek met elkaar wat lekker ruikt en wat niet.
  • Geuren wekken associaties op en je kunt er een speciale sfeer mee creëren. Pepernoten of speculaasjes bakken brengt onmiddellijk de speciale Sinterklaassfeer in huis, oliebollen die van oudjaar.
  • Laat de kinderen kennismaken met allerlei smaken en geuren: van kruiden, vruchten en groenten en breng ze in contact met de manier waarop vruchten groeien.
  • Een aardbeien- of tomatenplant biedt veel plezier, al vraagt het wel verzorging. Tuinkers heeft een sneller resultaat en heeft een eigen smaak. Ook kun je een tuintje aanleggen met lavendel of kruiden.
  • Maak een spannend doosje waarin je telkens een andere geur aanbiedt, zoals lavendel, koekkruiden, kruidnagel of rozenessence.

Diversiteit

Alhoewel de motorische en zintuiglijke ontwikkeling op hoofdlijnen vastligt, zijn er grote verschillen.

Individuele verschillen

Het tempo waarin kinderen zich motorische vaardigheden eigen maken verschilt sterk. Een langzame ontwikkeling op motorisch gebied hoeft in het geheel niet te duiden op problemen. Vooral niet als het kind duidelijk zijn of haar energie helemaal nodig heeft voor het verwerven van andere vaardigheden, zoals taal of fijne motoriek. Kinderen verschillen ook qua zintuiglijke gevoeligheid en voorkeuren. Er zijn overgevoelige en ondergevoelige kinderen. Het temperament van kinderen bepaalt hoe heftig ze op zintuiglijke prikkels reageren.

Pedagogisch medewerkers reageren alert als kinderen anders zijn dan andere kinderen van die leeftijd. Als ze het gevoel hebben dat de ontwikkeling niet goed verloopt, gaan ze extra observeren. Ze bespreken hun bevindingen met collega’s en de ouders. Ze zoeken een balans tussen ruimte geven aan kinderen om zich op hun eigen manier te ontwikkelen, en het serieus nemen van signalen dat er is niet klopt met de motorische of zintuiglijke ontwikkeling. Bij blijvende twijfel is het verstandig om, in overleg met de ouders advies te zoeken bij een deskundige. Denk bijv. aan een vermoeden van slechthorendheid bij een kind.

Jongens en meisjes

De meeste jongens en meisjes vinden bewegingsspelletjes heel leuk. 
Foto: Ruben Keestra - 233

Jongens en meisjes

Over het algemeen ontwikkelen jongens zich iets sneller op grof motorisch gebied en meisjes op fijn motorisch gebied. Jongens hebben ook vaker een voorkeur voor rennen, racen op fietsjes, gooien met ballen. Terwijl meisjes vaker een voorkeur hebben voor knippen, plakken, verven. Maar deze verschillen gaan over gemiddelden. Er zijn ook jongens die graag fijn motorisch werken en niets moeten hebben van grof motorisch spel. En omgekeerd meisjes die dol zijn op klimmen en rennen en weinig voelen voor het kleine fijnere werk. Pedagogisch medewerkers zijn zich bewust van hun eigen beelden van ‘jongens’ en ‘meisjes’. Hierdoor kunnen ze zichzelf corrigeren om niet ongewild jongens en meisjes stereotype rolgedrag op te dringen.

Culturele verschillen in aanmoedigen van motorische ontwikkeling

In onze westerse cultuur ligt de nadruk op persoonlijke zelfstandigheid. Ouders zijn vaak verrukt over hun voorlijke kind dat vroeg gaat zitten, kruipen en lopen. In andere culturen wordt meer nadruk gelegd op de onderlinge afhankelijkheid en wordt de behoefte aan hulp van de baby langer gekoesterd. Maar praktische belangen spelen ook een rol. Denk aan veel speelgoed voor de fijne motoriek – blokken, verf, puzzels – in westerse gezinnen met weinig buitenruimte voor rennen en klimmen. Of aan het op de rug dragen van baby’s door moeders die op het land moeten werken; of aan het ontmoedigen van kruipen in een onveilige en onhygiënische omgeving.

Laura E. Berk, 2008
234

Culturele verschillen

Ouders verschillen in de manier waarop ze tegen de motorische ontwikkeling van hun kinderen aan kijken. En in de zintuiglijke ervaringen die ze aan hun jonge kinderen bieden door de keuze van voeding, gebruik van kruiden of aanmoedigen van onderzoekend gedrag. Deze verschillen hangen samen met culturele waarden, normen, overtuigingen.

Pedagogisch medewerkers gaan respectvol met deze verschillen om.

Samenwerken met ouders

Het werken in de kinderopvang stelt pedagogisch medewerkers in staat hun kennis en ervaring te delen met de ouders. Ze kunnen hun eigen kennis en inzichten verdiepen en verbreden door te leren van de ervaringen en waarden van de ouders

Als een leidster zich zorgen maakt, bespreekt ze dat met de ouders. Nemen die dat gedrag ook thuis waar? Als dat niet zo is, hoe zou dat dan komen dat het kind dat gedrag wel in de groep vertoont? Leidsters en ouders kunnen samen denken en eventueel oplossingen zoeken. Indien nodig kunnen de leidsters de ouders adviseren om advies te vragen op het consultatiebureau of, na overleg met de ouders, zelf een deskundige naar het kind laten kijken.

Observeren en plannen

Kijk veel naar de kinderen of de kwaliteit van bewegen goed is. Maken zij alle fasen door? Kunnen kinderen op de buik liggen? Kunnen zij rollen en kruipen? Hoe gaat een kind zitten en staan? Gaat het kind klimmen en lukt het hem om te gaan fietsen?

Plan dagelijks bewegen in, zowel buiten als binnen. Pedagogisch medewerkers gaan regelmatig na of allerlei vormen van bewegen Kinderen hebben het nodig om uitgedaagd te worden tot een breed scala van bewegingen en zintuiglijke ervaringen. Soms hebben ze gerichte stimulansen nodig om motorisch te ontwikkelen. Laat kinderen vrij spelen, maar biedt ook begeleiding. Maak soms van buiten spelen ook een gerichte activiteit. Veel kinderen vinden het lastig om buiten te spelen, ook dat mogen wij hen leren.

Kinderen leren ook veel van elkaar. Het imiteren van spel en bewegen biedt kinderen nieuwe mogelijkheden en uitdagingen. Kinderen zetten elkaar in beweging.

Activiteiten en materialen om te bewegen: baby's
Bewegingsactiviteiten Materialen
Liggen op de buik In de box voor een spiegel of activitycentre, in het gras, op de commode tijdens het verschonen.
Rollen, meestal op geluid, als iets de aandacht vraagt Gebruik je stem, geluidspelletjes om de aandacht te vragen, een kussen schuin neer en laten rollen.
Kruipen Eerst op de buik, zodat de armen goed steunen en dat kruipen: uitnodigen, speurtochtje: achter de gordijnen of box gaan kijken etc.
Lopen Onderlagen veranderen: over gras, door plassen, over grind en zand. Loopkarren, poppenwagentjes, kruiwagentjes, loopfiets, duwkarren.
Schommelen Mat omgevouwen in twee hoepels en je hebt een bootje, plank over een bank en je hebt een wip, schommels.
Slapen en rusten Hooguit één knuffel in bed, geen materialen boven bed hangen. De box is voor activiteit, het bed voor rust.
Activiteiten en materialen om te bewegen: dreumesen en peuters
Bewegingsactiviteiten Materialen
Lopen en kruipen Binnen: dozen en hoekjes om in te kruipen en onderdoor te kruipen. Bankjes om overheen te lopen.
Buiten: hoogteverschillen door heuveltjes; verschillende ondergrond om op te lopen; verstopplekjes
Springen Bankjes om op en af te springen,van de zandbak rand in het zand.
Rennen  
Fietsen Loopfiets, 3-wieler.
Schommelen  
Klimmen en glijden  
Rusten  
Slapen ’s middags een uurtje plat, ook al slapen zij niet, met een boekje of een favoriet speeltje.
Activiteiten en materialen om te ervaren
Zintuiglijke ervaringen Materialen
Horen Belletjes in een bal, rammelaar, speeldoosje, melodieuze instrumenten (geen blik of ijzer, daar zit geen melodie in).
Voelen Zacht en hard, glad en ruw, warm en koud, slijmerig etc., elkaars huid aanraken, gezichten voelen, doekjes, allerlei materialen.
Ruiken Melk, moeder, verzorger, alles wat het te eten krijgt, bijv. fruit, groente, later kruiden.
Zien Natuurlijke kleuren geven de juiste prikkels voor de hersenen, natuur, kleuren (laat jonge kinderen met één kleur aan de gang gaan, niet te snel vele kleuren gebruiken), gezichten en emoties, vormen, verwonderen als een zaadje een plantje wordt, nieuwsgierig maken door ontdekkingen te doen, dingen verstoppen, boekjes waarin je iets moet zoeken, samen kijken naar stilstaande beelden en leren kijken.
Proeven Samen met ruiken: als een kind aan iets ruikt, dan proeft het vaak automatisch mee door de tong uit te steken of te happen. Bijv. allerlei fruit, voedsel, drankjes

Meedenkgroep
Els Koldenhof - Pedagoog Kern kinderopvang
Marieke Grijpink - Pedagoog Triodus
Tineke van Westerop - Kinderfysiotherapeut
Lonneke van Dijk - Ontwikkelaar CED
Marloes Vermeulen - Ontwikkelaar CED

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: zaterdag 19 mei 2012.