De Basis – Hoofdstuk 1
Introductie Nederlands Curriculum Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar

Kinderopvang is belangrijk en leuk!
Foto onder: Tessa van Schijndel - 115
Het Nederlands Curriculum Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar laat zien welke belangrijke bijdrage kindercentra leveren aan de ontwikkeling van jonge kinderen. Het maakt voor alle betrokkenen duidelijk wat goede kinderopvang inhoudt. Kindercentra bieden kinderen een omgeving waar ze zich veilig en vertrouwd voelen en samen met andere kinderen spelen en leren. In samenwerking met de ouders worden de kinderen begeleid in hun ontwikkeling. Kindercentra bieden iets extra’s naast de gezinsopvoeding. Er is buiten en binnen ruimte voor rennen, fietsen, klimmen en glijden. Kinderen dagen elkaar uit en leren om rekening met elkaar te houden. Ze leren alle vaardigheden die ze nodig hebben voor latere sociale relaties en voor een goede start op de basisschool. Pedagogisch medewerkers maken een wereld van verschil.
Pedagogisch medewerker of leidster?
Hoe noemen we de opvoeders van jonge kinderen in kindercentra? Tot voor kort was dat eenvoudig: leidsters. Maar de vrouwelijke vorm doet geen recht aan de mannen. Hier en daar wordt de term groepsleiding gebruikt. Het begrip pedagogisch medewerker wordt gangbaarder. Sekseneutraal en met aandacht voor het pedagogische aspect. Een nadeel is de lengte van het woord en de afstandelijkheid die het kan scheppen. In het Nederlands Curriculum gebruiken we de genoemde termen voorlopig door elkaar.
Het Nederlands Curriculum
Het Nederlands Curriculum is opgezet als een soort kaart waarmee instellingen en pedagogisch medewerkers hun eigen weg kunnen vinden. Het curriculum geeft een theoretische verantwoording van het pedagogisch handelen in kindercentra voor 0- tot 4-jarigen. In het eerste deel, het theoretische kader, worden 3 vragen beantwoord:
- Wat hebben 0- tot 4-jarige kinderen nodig?
- Wat willen we met de kinderen bereiken? Welke doelen en competenties worden nagestreefd?
- Hoe kunnen onze pedagogische doelen worden bereikt? Welke pedagogische middelen staan ter beschikking?
Het tweede deel, De Praktijk, beschrijft belangrijke leerervaringen die jonge kinderen in kindercentra opdoen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verzorg-leerervaringen en speel-leerervaringen. Pedagogisch medewerkers zien in verzorg- en speelleersituaties kansen voor kinderen om te leren en zich te ontwikkelen.
Wat thuis vanzelfsprekend is, moet in de kinderopvang bewust worden georganiseerd.
De kinderen krijgen de gelegenheid om deel te nemen aan de “echte wereld”.
Verschillen tussen gezin en kindercentrum
Waarom een curriculum? In gezinnen hebben ouders geen curriculum nodig om hun opvoeding te organiseren. Waarom hebben pedagogisch medewerkers in kindercentra dan wèl? Dat heeft te maken met de verschillen tussen opvoeden in het gezin en in kindercentra:
- Verschil in emotionele band. De emotionele band tussen ouders en kinderen is hecht en langdurig en ontstaat in de dagelijkse intieme omgang. De band tussen leidsters en kinderen band ontstaat niet vanzelf; leidsters organiseren van alles om kinderen en ouders te helpen met wennen en opbouwen van vertrouwen.
- Verschil in mate van informaliteit. In het gezin kunnen grootouders, andere familieleden of vrienden een rol spelen in de opvoeding, maar het gaat om informele relaties. Leidsters werken echter binnen een formele setting. Ze houden zich houden aan formele afspraken over werktijden, haal- en brengtijden of pedagogisch beleid.
- Verschil in omgeving. Het gezin biedt veel mogelijkheden tot leren over de volwassen wereld. Kinderen gaan mee boodschappen doen, zien hun ouders koken, helpen met opruimen. Het kindercentrum is helemaal op kinderen afgestemd. Hoe de binnen- en buitenruimtes worden gebruikt, welk spelmateriaal wordt aangeboden en welke activiteiten georganiseerd worden, wordt door leidsters zorgvuldig gepland.
- Verschil in aantal kinderen. De meeste gezinnen zijn tegenwoordig klein. In kindercentra komen kinderen in een groep van 6 tot 16 kinderen die allemaal jonger zijn dan 4 jaar. Het opvoeden in een groep met oog voor de individuele behoeftes van kinderen, vraagt van pedagogisch medewerkers een planmatige aanpak.
Het dagritme is zichtbaar en tastbaar aanwezig. Dat geeft de kinderen houvast
Planmatig werken
In kindercentra moet dus veel planmatiger worden gewerkt dan in het gezin. Het curriculum is een instrument om planmatig te kunnen werken. In kindercentra zijn, vergeleken met het gezin, veel meer mensen bij de opvoeding betrokken. Pedagogisch medewerkers en ouders moeten hun handelen op elkaar afstemmen, anders wordt het voor de kinderen een chaos. Planmatig werken creëert veiligheid en betrouwbaarheid voor kinderen en ouders. Binnen de duidelijke kaders is ruimte voor flexibel inspelen op de individuele behoeften van de kinderen.
Verder is planmatig werken een voorwaarde voor de verdere professionalisering en kwaliteitzorg in kindercentra. Ouders en overheden verwachten een duidelijke bijdrage aan de opvoeding. Door planmatig te werken kunnen werkwijzen en pedagogische methodieken worden geëvalueerd en bijgesteld. Dit leidt tot verdere professionalisering van het beroep van pedagogisch medewerker.
Bouwstenen voor een theoretisch kader
De opvoeding vindt plaats binnen een normatief kader waarin waarden, normen en leer- en ontwikkelingsdoelen worden geformuleerd, en maakt gebruik van theorieën en inzichten in de ontwikkeling van kinderen. Het theoretische kader van het curriculum is gebaseerd op 5 soorten van bouwstenen:
- Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind
- Democratische waarden en normen
- De Wet Kinderopvang en het Convenant Kwaliteit Kinderopvang
- Ontwikkelingspsychologische inzichten.
- Gesystematiseerde praktijkkennis
Het belang van het kind, twaalf ijkpunten:
Op grond van het Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind zijn concrete toetscriteria ontwikkeld. Deze criteria zijn inspirerend en bruikbaar voor iedereen (beleidsmaker, rechter, opvoeder) die maatregelen moet nemen gebaseerd op het belang van het kind. De twaalf toetscriteria worden als volgt samengevat:
- er is adequate verzorging nodig;
- een veilige fysieke omgeving;
- continuïteit en stabiliteit;
- interesse in de leefwereld van een kind;
- respect;
- serieus nemen van behoeften van een kind;
- geborgenheid, bij tenminste één volwassene;
- een ondersteunende en flexibele structuur met ruimte voor initiatief, uitdagingen en experimenteergedrag;
- adequaat voorbeeldgedrag;
- brede educatie-mogelijkheden;
- omgang met leeftijdgenoten;
- kennis over en contact met eigen verleden.
Heiner en Bartels, 1989
Poppen-zoals-wij is een methodiek om jonge kinderen te leren omgaan met overeenkomsten en verschillen tussen mensen.
De Wet Kinderopvang en het curriculum
In de toelichting op de beleidsregels kwaliteit staat dat gewerkt moet worden aan de volgende vier competenties:
- het bieden van voldoende veiligheid voor het kind;
- het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om persoonlijke competentie te ontwikkelen;
- het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het ontwikkelen van sociale competentie;
- overdracht van normen en waarden.
Deze competenties worden in overleg met de oudercommissie in een pedagogisch beleidsplan uitgewerkt.
| Wet Kinderopvang | Landelijk Curriculum |
|---|---|
| Veiligheid | Veiligheid |
| Samenwerken met ouders | Samenwerken met ouders |
| Aansluiten bij hoe kinderen leren | |
| Sociale competenties | Sociale competenties |
| Waarden en normen | Morele competenties |
| Persoonlijke competenties | Persoonlijke competenties:
|
Kinderen met een ‘moeilijk’ temperament hebben meer moeite met gebrek aan stabiliteit en (te) veel veranderende situaties. Ze vertonen meer probleemgedrag en minder welbevinden.
Louis Tavecchio & Clasien de Schipper (2005)
Een hoge mate van beschikbaarheid van de leidster leidt tot een hogere kwaliteit van interactie tussen leidster en baby. Hierdoor stijgt het welbevinden van de baby, zowel tijdens het spel als tijdens de lunch.
Elles de Schipper, Marianne Riksen-Walraven en Sabine Geurts (2006).
Kwalitatief goede kinderopvang is een steun voor ouders en kinderen, vermindert de stress door de combinatie van werk en kinderen en bevordert de veilige gehechtheid en ontwikkeling van kinderen.
Bron: NICHD Early Child Care Research Network, 2000, 2002
Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind is aangenomen door de Verenigde Naties in 1989 en door Nederland geratificeerd in 1995. Dit verdrag is gebaseerd op het belang van het kind en diens recht op optimale ontwikkeling en recht om gehoord te worden. De overheid heeft de verplichting te zorgen dat deze rechten worden waargemaakt. Het verdrag geeft een visie op kinderen die uitgaat van de erkenning dat kinderen mensen zijn, ‘mensen-in-de-groei’, maar niet ‘mensen-in-wording’. Kinderen zijn geen kleine volwassenen, maar mensen op weg naar volwassenheid. Het kind heeft speciale bescherming nodig, maar is niet alleen object van bescherming door de overheid, maar ook een subject van rechten. De rechten uit dit verdrag kunnen op verschillende manieren ingedeeld worden. Een bekende indeling is die in de drie p’s: Provision (voorzieningen, bijvoorbeeld: recht op speelmogelijkheden, onderwijs, gezondheidszorg), Protection (bescherming: bijvoorbeeld tegen mishandeling en misbruik) en Participation (participatie: kinderen hebben recht op deelname aan de samenleving). De volgende rechten uit dit verdrag zijn relevant voor het curriculum:
- Kinderen hebben recht op fysieke en emotionele veiligheid en bescherming van hun integriteit. Dit kinderrecht betekent ook dat leidsters een signalerende functie hebben als de integriteit van het kind in gevaar komt door verwaarlozing of mishandeling in het gezin of door derden.
- Kinderen hebben recht op verbondenheid met hun ouders en respect voor de culturele identiteit van hun familie. Kindercentra moeten aanvullend zijn op de gezinsopvoeding, met ouders samenwerken en de binding van het kind met zijn of haar gezin en culturele achtergrond niet schaden.
- Kinderen hebben recht op respect voor diversiteit, en daarmee samenhangend, recht op extra zorg in verband met handicaps of sociale achterstanden. Voorzieningen moeten ontwikkelingskansen aan kinderen ongeacht sekse, etniciteit, handicaps of sociale achtergrond.
- Kinderen hebben recht om gehoord te worden en om bij te dragen aan de sociale groep of gemeenschap. Hoe jong een kind ook is, hij of zij kan door non-verbale signalen of met taal aangeven wat belangrijk is. Kinderen moeten ervaren dat er rekening met ze gehouden wordt en dat zij er als individu toe doen.
- Kinderen hebben recht om te leren en om hun talenten te ontwikkelen. Ze hebben recht op een veelzijdige ontwikkeling in hun eigen tempo en op een goede basis om met succes een start te maken in het basisonderwijs.
Democratische waarden en normen
De beste voorbereiding op leven in een democratie is het daadwerkelijk ervaren van democratie in de kindergroep. In de kindergroep leren jonge kinderen democratische waarden als: respect voor de autonomie en eigenheid van ieder kind; grenzen leren respecteren die samenhangen met de rechten van anderen; bijdragen aan het geheel; hulp vragen en geven; morele regels als elkaar geen pijn doen, om de beurt, geven en nemen.
De samenleving baat heeft bij goed opgevoede kinderen die later als volwassenen een bijdrage leveren aan het economische en culturele welzijn. Vanuit de samenleving gezien is het ook belangrijk dat ieder kind zijn of haar talenten kan ontplooien.
De Wet Kinderopvang en het Convenant Kwaliteit Kinderopvang
De Wet op de Kinderopvang (2005) en het Convenant Kwaliteit Kinderopvang gelden voor de kinderdagverblijven. Voor peuterspeelzalen zijn geen landelijk vastgestelde kwaliteitseisen. De Wet en het Convenant stellen dat kinderopvang gericht moet zijn op:
- Samenwerking met ouders
- Bieden van veiligheid en verbondenheid.
- Overdragen van waarden en normen.
- Verwerven van sociale en persoonlijke competenties.
De uitwerkingen van de Wet op de Kinderopvang en het Convenant Kwaliteit Kinderopvang zijn minder omvattend dan de VN-Rechten van het Kind. De pedagogische doelen die genoemd worden in het Convenant hebben we daarom verbreed. We hebben toegevoegd: respect voor diversiteit. En we hebben de sociale en persoonlijke competenties uitgesplitst in meerdere competentiegebieden om recht te doen aan de veelzijdigheid van de ontwikkeling waar kinderen recht op hebben.
Ontwikkelingspsychologische inzichten
Het Nederlands Curriculum is gebaseerd op kennis van de ontwikkeling van jonge kinderen vanaf babytijd tot kleuters, en van de manieren waarop jonge kinderen leren. Hierbij is gebruik gemaakt van theoretische inzichten van de grondleggers van de hedendaagse ontwikkelingspsychologie zoals Piaget, Vygotsky, Erikson en Bowlby en recent onderzoek naar kinderen in gezinnen en de kinderopvang. Het curriculum sluit aan bij de inzichten zoals verwoord in de handboeken Ontwikkelingspsychologie die gangbaar zijn op Nederlandse universiteiten, zoals Cole, Cole & Lightfoot (2005) of Berk (2005). Deze inzichten zijn verrijkt met recent onderzoek specifiek gericht op kinderen in groepen in kindercentra. Belangrijke thema’s zijn: de ouder-kindrelatie; emotionele veiligheid en welbevinden; leren van jonge kinderen; ontwikkeling op motorisch, sociaal, emotioneel, cognitief, moreel en taal en creatief-beeldend gebied; culturele verschillen.
Spelend leren
Dankzij pedagogen als Pestalozzi, Fröbel en Montessori hebben we voor drie- tot zesjarigen een methodiek waardoor kinderen spelend kunnen leren. De praktische uitwerking en implementatie kostte ruim 150 jaar. Sinds de jaren ’70 wordt gewerkt aan een methodiek voor nul- tot vierjarigen, waarin naast spelen ook aandacht is voor verzorging. De methodiek voor de jongste kinderen is nog maar 30 jaar jong en volop in ontwikkeling. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het curriculum.
Bronnen:
Lily E. van Rijswijk-Clerkx, 1981 ; Elly Singer, 1989.
Illustratie:
Stichting Kinderopvang Hilversum, 1906
Gesystematiseerde praktijkkennis
De uitwerking van het Nederlands Curriculum is ondenkbaar zonder de schat aan praktijkkennis die de afgelopen decennia in ons land en op internationaal niveau is opgebouwd. Er is nog weinig wetenschappelijk onderzoek naar de dagelijkse praktijk. Terwijl de praktijk door ervaring en systematische uitwisseling veel kennis heeft verworven. Bij de uitwerking van het curriculum in verzorg-leeractiviteiten en speel-leeractiviteiten hebben we dankbaar gebruik gemaakt van deze kennis. We bouwen voort op boeken en methodes die ontwikkeld zijn in andere landen en ons eigen land. Tijdens het schrijven van het Curriculum worden vele deskundigen geconsulteerd.
Het Nederlands Curriculum is zo veel mogelijk gebaseerd op consensus. Bij verschil van mening worden meerdere standpunten weergegeven met bijbehorende argumenten. Het Curriculum wil ook aanleiding geven tot pedagogische discussies die leiden tot nieuwe inzichten.
Pedagogische principes
Tijdens het werken aan het Nederlands Curriculum werd steeds duidelijker welke pedagogisch principes richting gevend zijn in het curriculum. Dat zijn:
Jimmy heeft plezier en leert zijn scheidingsangst te overwinnen. Hij oefent: Ik zie mamma niet, maar zij is er nog wel en ze kan ook zo weer terugkomen!
- Lichamelijke en emotionele veiligheid en welbevinden. Er wordt gezorgd voor een veilige en gezonde omgeving. Alle kinderen voelen zich welkom en hebben met een of meer leidsters een vertrouwensband. De kinderen voelen zich ook vertrouwd en veilig met de andere kinderen in de groep.
- Samenwerking met de ouders. In de kindercentra is de opvoeding van jonge kinderen gebaseerd op samenwerking met de ouders.
- Aansluiten bij manieren waarop jonge kinderen leren:
- Kinderen leren actief. Ze nemen niet passief over wat volwassenen aandragen. Maar maken het zichzelf eigen door vallen en opstaan.
- Jonge kinderen leren door te doen en door hun zintuigen te gebruiken. Ze pakken dingen vast, kijken wat ze er mee kunnen doen. Ze proeven, betasten, ruiken, kijken, luisteren.
- Jonge kinderen leren door te spelen. Spelen is plezier en motiveert kinderen om door te gaan, om te oefenen. Het is de beste manier om belangrijke vaardigheden te oefenen.
- Jonge kinderen leren van elkaar. Door samen te spelen, naar elkaar te kijken en te imiteren. Ze willen er graag bij horen en helpen. Ze willen ook een bijdrage leveren aan anderen.
- Jonge kinderen leren het beste als ze hun eigen tempo kunnen volgen.
- Jonge kinderen leren door een rijk aanbod van taal en expressiemogelijkheden. Pedagogisch medewerkers verwoorden ervaringen, leggen uit, stellen vragen en luisteren. Ze begeleiden kinderen bij beeldende expressie, muziek en dans en construeren.
- Actieve rol van pedagogisch medewerkers. Pedagogisch medewerkers scheppen voorwaarden voor leren en ontwikkelen: vertrouwensband, inrichting omgeving, structuur. Ze zien de kansen (voor spel, stimulering, contact, leren) die zich spontaan voordoen en ze creëren kansen door activiteiten aan te bieden.
- Holistische benadering. De opvoeding is evenwichtig gericht op alle aspecten van de ontwikkeling in hun onderlinge verwevenheid: op de emotionele, sociale, cognitieve, creatieve, motorische en morele ontwikkeling.
- Rechten van het individu en gezamenlijkheid in de groep. Enerzijds is er respect en ruimte voor de eigenheid en autonomie van ieder kind. Anderzijds leert het kind meedoen met het dag- en leefritme van de groep, ervaart het kind dat hij of zij erbij hoort en leert het basale waarden en normen. Naast het recht op een eigen stem heeft ieder kind ook het recht en de plicht op eigen niveau bij te dragen aan het geheel.
- Respect voor diversiteit. Leidsters hebben respect voor diversiteit en laten dat door hun gedrag zien en merken. Kinderen wordt geleerd om positief om te gaan met verschillen die betrekking hebben op leeftijd, sekse, handicaps of sociaal-culturele achtergrond.
- De doorgaande lijn. Opvoeders sluiten aan bij waar het kind is, en helpen het kind om de competenties te ontwikkelen die hij of zij nodig heeft in de volgende fase, op de basisschool.
Triomf van het eigen kunnen of te gevaarlijk?
Instrumenten om kwaliteit te toetsen
Het curriculum en instrumenten om pedagogische kwaliteit te meten horen bij elkaar. Instrumenten om de kwaliteit te meten, bijvoorbeeld van de inspecties en het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek, hebben als doel om aspecten van de pedagogische kwaliteit vast te stellen. De hoofdvraag is: zijn de kenmerken van kwaliteit voldoende aanwezig.
In het curriculum staat de hoe-vraag centraal: hoe kan goede kwaliteit worden gemaakt. Met behulp van kwaliteitsmeting en het Nederlands Curriculum kunnen kindercentra op een gefundeerde wijze trajecten uitzetten voor gewenste pedagogische verbeteringen.
Maatschappelijke context
Kindercentra hebben verschillende maatschappelijke functies. De dagverblijven hebben een belangrijke economische functie, omdat ze ouders in staat stellen om buitenshuis te werken. Sommige kindercentra, peuterspeelzalen of kinderdagverblijven, hebben een bijzondere educatieve doelstelling. Ze werken met programma’s om kinderen in achterstandsituaties een betere start te geven op de basisschool. Alle kindercentra kunnen een preventieve functie hebben, omdat ze aan de ouders laagdrempelige opvoedingssteun bieden. In verschillende steden en regio’s maken kindercentra deel uit van preventienetwerken die gericht zijn op het ondersteunen van het welbevinden en de ontwikkeling van gezinnen en buurten, bijvoorbeeld via gemeentelijk jeugdbeleid. Maar kindercentra kunnen ook een sociaal-maatschappelijke functie hebben met een nadruk op bijdragen aan maatschappelijke integratie, sociale samenhang en burgerschap. Kindercentra worden dan gebruikt als ontmoetingsplaats, als actieve gemeenschap die bijdraagt aan de maatschappelijke participatie van ouders en kinderen.
Het Nederlands Curriculum is in de eerste plaats een uitwerking van de pedagogisch-educatieve functie. Waar relevant worden koppelingen gemaakt naar de economische en de sociaal-maatschappelijke functie.
De opbouw van het curriculum
De Theorie
In het eerste deel van dit Curriculum wordt het theoretische kader geschetst.
We beginnen met drie hoofdstukken over de uitgangspunten. In de eerste plaats is dat Veiligheid en welbevinden (hoofdstuk 2). Bij jonge kinderen gaat het er vóór alles om dat ze zich veilig en vertrouwd voelen. In de tweede plaats is samenwerken met de ouders een belangrijk uitgangspunt in kindercentra (hoofdstuk 3). Ook als kinderen naar een kindercentrum gaan, blijven ouders verantwoordelijk voor hun welzijn. In de derde plaats is er het uitgangspunt dat pedagogisch medewerkers aansluiten bij de ontwikkeling en belevingswereld van jonge kinderen (hoofdstuk 4). Dit vraagt tevens aandacht voor thuiservaringen en culturele verschillen.
Na de drie hoofdstukken over de uitgangssituatie komt een hoofdstuk over de doelen en competenties. In hoofdstuk 5 worden de doelen beschreven voor de verschillende competenties en ontwikkelingsgebieden: persoonlijke, sociale en morele competenties. De persoonlijke competenties worden uitgewerkt in emotionele competenties, motorische en zintuiglijke competenties, cognitieve competenties, communicatieve competenties en creatieve en beeldende competenties.
Leidsters zorgen er voor dat de kinderen zich veilig en geborgen voelen.
Samenwerking met ouders en emotionele veiligheid zijn belangrijke pijlers van het theoretisch kader.
De laatste hoofdstukken van het theoretische deel gaan over de pedagogische middelen. Hoofdstuk 6 gaat over opvoeden in kindercentra als team- en groepswerk. Voor een goede sfeer en zorg voor de kinderen werken de leidsters als team samen. Hoofdstuk 7 gaat over het structureren en de inrichting van de ruimte. De omgeving ontlokt speel-leerervaringen en wordt soms “de derde opvoeder” genoemd, naast de rol die leidsters voor kinderen hebben en wat kinderen van elkaar leren. Hoofdstuk 8 behandelt het dagritme en de groepsindeling. Ritmes van activiteiten, vrij spelen, eten en slapen geven de kinderen houvast en zorgen ervoor dat tegemoet wordt gekomen aan de diverse behoeftes van de kinderen. Hoofdstuk 9 gaat over observeren en planning. Werken vanuit het kind en de groep betekent: ruimte voor de eigen keuze van kinderen, aandacht voor wat kinderen elkaar te bieden hebben en inspelen op de dynamiek van de groep. Om dat te kunnen, is observeren en planmatig werken van wezenlijk belang. Hoofdstuk 10 behandelt een scala aan communicatievormen tussen leidsters en kinderen. Aan bod komen zowel de non-verbale en verbale communicatie tussen leidsters en kinderen, als ook strategieën van leidsters om kinderen te ondersteunen, corrigeren, begeleiden en stimuleren.
De Praktijk
Het tweede deel van dit Curriculum gaat over het plannen van activiteiten. Voor de dagelijkse of wekelijkse planning is het praktisch om onderscheid te maken tussen verzorging-leeractiviteiten en speel-leeractiviteiten. Beide vormen van activiteiten zijn van even groot belang voor het emotionele contact en welbevinden van het kind. Ze bieden beide belangrijke leer- en ontwikkelingsmogelijkheden.
Verzorging in een kinderdagverblijf is vaak ook een groepsactiviteit.
Verzorging-leeractiviteiten
Verzorging van jonge kinderen vraagt persoonlijk en intiem contact tussen leidsters en kinderen. Bij baby’s is dat het sterkste. Verschonen en een flesje geven zijn momenten van contact en communicatie tussen baby en leidster en leermomenten voor de baby. Maar ook dreumesen en peuters hebben behoefte aan lichamelijke nabijheid en knuffels als ze verdrietig zijn of om even emotioneel op te laden. Naarmate ze ouder worden leren kinderen meer vaardigheden om voor zichzelf te zorgen en om mee te doen met de groepsrituelen en –gewoontes. In de hoofdstukken 11 t/m 14 komen aan de orde: wennen, begroeten en afscheid nemen; eten en drinken; verschonen, zindelijk worden en slapen; overgangsmomenten en dagritme.
Speel-leeractiviteiten
Kinderen leren spelend. Ze leren het beste als de pedagogisch medewerkers hen speels benaderen. Spelen vormt een natuurlijke motivatie om te leren. Alle aspecten van spel hangen samen. Maar voor het overzicht hebben we onderscheid gemaakt tussen 7 verschillende vormen van speel-leerervaringen. We besteden in de hoofdstukken 15 t/m 21 aandacht aan: bewegen en zintuiglijk waarnemen; samen spelen en samenleven; geluid en muziek, dans en beweging; beeldende expressie; natuur en fysieke omgeving; ordenen, meten en rekenen; communicatie en taal.
De toekomst
Er zijn verschillende onderwerpen die aandacht verdienen en en waarvan een nadere uitwerking zeer gewenst is. We willen hier 4 noemen:
In de eerste plaats vragen kindvolgsystemen en zorg voor individuele kinderen om een nadere uitwerking. Er zijn verschillende kindvolgsystemen. Wenselijk is een beschrijving van hun uitgangspunten, mogelijkheden en voor- en nadelen in relatie tot de uitgangspunten van het Nederlands Curriculum.
Buitenlandse curricula
In veel landen zijn de afgelopen jaren landelijke curricula voor de (groeps)opvoeding van jonge kinderen verschenen. Bij het tot stand brengen van dit curriculum hebben we gebruik gemaakt van de ervaringen die elders zijn opgedaan.
Zie ook: curricula uit andere landen en www.oecd.org
In de tweede plaats is er het thema van de culturele integratie en de rol van kindercentra als ontmoetingsplaats in de buurt. Kindercentra kunnen mensen bij elkaar brengen en helpen om een weg te vinden in deze samenleving. Culturele diversiteit is in verschillende hoofdstukken van het curriculum aan de orde geweest maar behoeft een meer systematische doordenking. Ook in relatie met verwante thema’s als respect voor diversiteit en actieve participatie van ouders met verschillende culturele achtergronden binnen kindercentra.
In de derde plaats verdient de positie van kindercentra ten opzichte van andere instellingen verheldering. Kindercentra zullen in de toekomst steeds meer participeren in netwerken rond gezinnen gericht op preventie, opvoedingssteun en hulpverlening. Kindercentra zijn bezig een visie te ontwikkelen wat hun taak in deze is en hoe ze binnen netwerken van jeugdzorg willen participeren.
Dat zelfde geldt voor de samenwerking met het basisonderwijs. Ook dit onderwerp komt op diverse plaatsen in het Nederlands Curriculum aan de orde. Een systematische uitwerking is gewenst. Ook met het oog op het gebruik van VVE-programma’s, overdrachtsprotocollen en -instrumenten en de relatie tussen onderwijsdoelen en de uitgangspunten van kindercentra.
Aan de slag
Een curriculum is nooit af. Nieuwe inzichten en veranderende omstandigheden dagen uit tot aanpassingen en nieuwe invalshoeken. Het Nederlands Curriculum Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar is een doorgaand proces. We hopen dat het curriculum zal bijdragen tot enthousiasme en verdere doordenking van het prachtige werk van pedagogisch medewerkers in kindercentra.