Laatste wijziging van deze pagina: zondag 8 juni 2008 om 18:02 uur

De Theorie – Hoofdstuk 2

Veiligheid en welbevinden

Elly Singer - Onderzoeker UvA en UU, projectleider Nederlands Curriculum

Voelt het vertrouwd en is dit een veilige omgeving? Voor jonge kinderen en hun ouders zijn dit de meest basale criteria bij de keuze van een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal. Zowel in de Wet op de Kinderopvang als in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn de rechten van kinderen op lichamelijke en emotionele veiligheid en op respect voor hun integriteit vastgelegd. Een kind dat zich veilig voelt, voelt zich goed en heeft energie om te leren en zich te ontwikkelen. Daarom behoort in het Nederlandse Curriculum de zorg voor fysieke en emotionele veiligheid tot de basisvoorwaarden.

Uit onderzoek blijkt dat emotionele veiligheid en welbevinden in kindercentra met name bepaald worden door twee aspecten:

  • De kwaliteit en continuïteit van de relaties van het kind met de pedagogisch medewerkers en de andere kinderen. Een warme stabiele relatie met groepsleiding en andere kinderen in de groep zorgt voor een gevoel van 'erbij horen' en bevordert het welbevinden.
  • De mate waarin tegemoet wordt gekomen aan de diverse basisbehoeften van kinderen.

In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens besproken:

Vriend

Dit is mijn beste vriend op de groep
Foto: Loes Kleerekoper - 132

Warme stabiele relaties

We willen het begrip 'relatie' onderscheiden van het begrip 'interactie'. Een relatie is het resultaat van langer durende interacties en bestaat uit emotioneel gekleurde verwachtingen ten opzichte van elkaar. Onderzoek vanuit de hechtingstheorie toont aan dat jonge kinderen zich aan hun leidsters gaan hechten; ze gebruiken hen als veilige basis om de omgeving te verkennen en zoeken bij hen bescherming en troost. Door langere tijd met een bepaalde leidster om te gaan, leert het kind hoe de leidster op verschillende situaties zal reageren en hoe hij of zij daarop kan anticiperen. Dat zelfde geldt voor relaties met andere kinderen. Een warme, vertrouwde relatie tussen leidster en kind wil zeggen dat het kind weet dat er goed voor hem of haar wordt gezorgd en hij of zij wordt gerespecteerd; leidsters en kinderen kennen elkaar en zijn op elkaar betrokken.

Een vertrouwde groep is het tegenovergestelde van onverschilligheid en een los-zand-groep. Een vertrouwde groep heeft zowel een emotionele als een morele betekenis: iedereen heeft het gevoel erbij te horen en iedereen kan erop rekenen dat basale rechten en morele regels worden gerespecteerd. In kindercentra zien we de volgende relaties die van invloed zijn op de emotionele veiligheid:

Gesprekje tussen leidster Leida
en Kim (22 mnd)

Leida:
Jij hebt ook iets van Zwarte Piet gekregen, hè?

Kim:
Mamma

Leida:
Van Zwarte Piet toch?

Kim:
Mamma

Leida:
O ja, je had Zwarte Piet gezien op mamma’s werk, hè?

Kim lacht stralend naar Leida.

133
  • relaties tussen pedagogisch medewerkers en ouders van de kinderen;
  • relaties tussen pedagogisch medewerkers en kinderen;
  • relaties tussen kinderen onderling.

Vertrouwde relaties tussen leidsters en ouders: goede communicatie

Kinderen zijn in de eerste plaats gehecht aan hun ouders, broertjes en zusjes en familie. Als ouders zich niet welkom voelen in het kindercentrum, kunnen hun kinderen dat gevoel overnemen. Ouders blijken vooral een 'lieve leidster' te willen, een leidster die emotioneel betrokken is bij hun kind. Als ouders zich onzeker voelen of als er spanningen zijn tussen pedagogisch medewerkers en ouders, dan maakt dat de kinderen ook onzeker. Het is belangrijk dat de groepsleiding en ouders het eens zijn over basale waarden en normen en de pedagogische aanpak. Door dagelijks vriendelijk contact en overleg ontstaat wederzijds vertrouwen. Door de aankleding van de ruimte of een speciale plaats met foto's van de familie van het kind kunnen ouders het dagverblijf of de speelzaal als een stukje van zichzelf ervaren.

Vertrouwde relaties tussen leidsters en kinderen

De leidsters zijn voor jonge kinderen in het kindercentrum de belangrijkste bron van veiligheid. Hoe jonger de kinderen, hoe afhankelijker ze zijn van de leidsters. Door lange openingstijden, wisseldiensten en deeltijd werk werken er in kinderdagverblijven per week meerdere leidsters op de groep. Volgens het Convenant Kinderopvang zorgen kinderdagverblijven ervoor dat ieder kind tot een stamgroep behoort en dat aan ieder kind maximaal 3 vaste basisleidsters worden gekoppeld. Het kind kan erop rekenen dat er altijd minimaal één basisleidster aanwezig is. De basisleidsters onderhouden ook de contacten met de ouders van het kind.

Een vertrouwde relatie tussen leidsters en kinderen is het resultaat van interacties op verschillende niveaus: op individueel niveau, groepsniveau en interacties waarbij de leidster als schakel fungeert tussen het kind en de onbekende wereld. Erikson (1950) onderscheidt de volgende dimensies in de leidster-kindinteractie met betrekking tot emotionele veiligheid en welbevinden. Deze dimensies liggen ook ten grondslag aan het kwaliteitsinstrument van het Nederland Consortium voor Kinderopvang Onderzoek.

Sensitieve responsiviteit en emotionele steun

Jonge kinderen moeten het gevoel hebben dat ze gezien en gehoord worden en dat de leidster hen kent. Dit uit zich niet alleen in een persoonlijke begroeting en bij het afscheid nemen, maar ook door gedurende de dag in te gaan op individuele signalen van het kind: bijvoorbeeld een kind in bed leggen als hij moe is en ondersteunen als hij iets moeilijk vindt. Voor de kinderen is hun leidster een baken. Kinderen kijken ook regelmatig waar de leidster is, om zeker te weten dát ze er nog is en om van haar gezicht af te lezen of wat ze doen wel mag.

Emotionele steun geven de leidsters ook op groepsniveau. Door aan te voelen wanneer de kinderen moe en huilerig worden en dan te zorgen voor een rustige activiteit. Of aan te voelen wanneer het tijd wordt om buiten te spelen. Met een grapje of liedje kan de leidster spanningen tussen de kinderen ontladen.

Structureren, grenzen stellen en werken met rituelen

Leidsters geven kinderen veiligheid door de omgeving te structuren, duidelijke en niet te veel regels te hanteren en met gewoontes en rituelen een voorspelbare en vertrouwde omgeving voor hen te maken. De indeling van de ruimte en een bepaald dagritme maken de wereld voorspelbaar. Zonder vertrouwde patronen is de wereld chaotisch en kunnen jonge kinderen gemakkelijk in de war raken en angstig worden. Rituelen –handelingen in een vaste volgorde – kunnen kleine terugkerende grapjes zijn, bijvoorbeeld tussen leidster en baby tijdens het verschonen, groepsrituelen in de kring, samen zingen met bewegingen bij het eten, of bepaalde handelingen bij het opruimen of slapen. Zo ontstaat een veilige plek waarin ook aandacht kan zijn voor het individu en het kind ruimte heeft om zelf initiatieven te nemen. De leidsters zorgen er voor dat kinderen elkaar geen kwaad doen. Als gezagspersoon zorgen zij voor handhaving van basale morele regels.

Respecteren van de autonomie van kinderen

Om zich veilig te voelen hebben kinderen ook eigen ruimte nodig om te experimenteren en hun gang te gaan. Er is een groot machtsverschil tussen de leidster en het jonge kind. Als leidsters zich overal mee bemoeien en – goedbedoelde – hulp en aanwijzingen geven, komt het kind in de verdrukking. 'Zelf doen' is een basale behoefte van kinderen. Leidsters geven kinderen daarom de kans om dingen zelf te doen en te leren, en zijn beschikbaar als het kind daarom vraagt.

Uitleggen en benoemen

Voor jonge kinderen is alles nieuw. Ze moeten de wereld en zichzelf nog leren kennen. Daarom is het heel belangrijk, dat de leidsters uitleg geven. De leidster is voor het kind de schakel tussen hen en 'de grote wereld'. Daarom benoemen de leidsters wat er gebeurt, wat andere kinderen doen of willen. Ze geven ze woorden voor hun binnenwereld, voor wat ze voelen, denken en willen. Door deze uitleg maakt de leidster de wereld begrijpelijk en veilig.

Samen dansen

Samen dansen is ook communiceren.
Foto: Danielle Heesbeen - 134

Vertrouwde relaties tussen kinderen onderling

Kinderen zijn vanaf heel jonge leeftijd in elkaar geïnteresseerd. Ze proberen contact met elkaar te maken en te communiceren. Om elkaar te begrijpen is het belangrijk dat kinderen elkaar kennen en langere tijd met elkaar omgaan; dat er continuïteit is in hun omgang met elkaar. Vertrouwde relaties tussen kinderen zijn ook het resultaat van interacties met andere kinderen op verschillende niveaus.

Vertrouwdheid en vriendschap tussen twee of drie kinderen

Vertrouwdheid tussen kinderen ontstaat bij jonge kinderen door regelmatig samen te spelen. Daarom is het belangrijk dat de kinderen in de groep weinig wisselen. Gevoelens van vriendschap ontstaan als ze fijn met iemand kunnen spelen, ongeveer dezelfde activiteiten leuk vinden en qua ontwikkelingsniveau niet te ver uiteen liggen. De kans op vertrouwde relaties tussen kinderen neemt toe als er continuïteit in de kindergroep is en als kinderen 'soortgenootjes' treffen om mee te spelen.

De leidsters helpen de kinderen om zich veilig bij elkaar te voelen. Ze zorgen ervoor dat ze elkaar geen pijn doen, niet pesten en dat ze zelf conflicten leren oplossen. De leidster is gezagspersoon en opvoedster die kinderen sociale vaardigheden, waarden en regels leert. Maar bovenal zorgen de leidsters ervoor dat kinderen plezier met elkaar hebben en vrienden worden.

Erbij horen in de groep: wij-gevoel en rituelen

Onderdeel zijn van een groep geeft jonge kinderen een gevoel van vertrouwdheid. De naam van de groep (bijvoorbeeld de Rakkers of Gabbers) maakt duidelijk welke leidsters en welke kinderen bij elkaar horen. Daarnaast geven vertrouwde handelingspatronen als dagritme en rituelen een gevoel van veiligheid en verbondenheid aan kinderen. Heel jonge kinderen kunnen al samenspelen als ze het speelpatroon (her)kennen door de herhaling en hebben daar ook veel plezier bij, vooral met zang en grappige bewegingen.

Interacties tussen kinderen en kinderen die 'anders' zijn: leren omgaan met diversiteit

Het is belangrijk dat leidsters ervoor zorgen dat alle kinderen zich veilig en gerespecteerd voelen, ongeacht hun culturele achtergrond, sekse of beperking. Dit betekent dat leidsters ook kinderen helpen en begeleiden om elkáár te begrijpen en samen te spelen en daarbij ook veel uitleggen en benoemen.

We hebben gezien dat een warme en vaste relatie van het kind met de leidsters en de andere kinderen in zijn groep een voorwaarde is voor emotionele veiligheid. Dat brengt ons nu op het tweede aspect dat hier een grote invloed op heeft: de mate waarin tegemoet wordt gekomen aan de basisbehoeften van kinderen.

Voldoen aan basisbehoeften: een gezonde omgeving

In de opvoeding van jonge kinderen past een holistische benadering. Dat wil zeggen dat alle behoeftes van het kind aandacht krijgen: hun sociaal-emotionele; morele; lichamelijke; cognitieve; en communicatieve behoeftes. Deze basisbehoeften hangen samen en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Ze kunnen worden onderscheiden, maar niet van elkaar gescheiden. Alleen voor de overzichtelijkheid maken we onderscheid tussen de verschillende basisbehoeften.

VerschonenVerschonen

Wederzijdse aandacht tijdens het verschonen door de vertrouwde leidster.
Foto's: Suzan Diviu - 135

Sociaal-emotionele basisbehoeften

Volgens Bowlby, Erikson en hedendaagse pedagogen ontwikkelen kinderen in hun vroege jeugd een basisvertrouwen in hun ouders en zichzelf, en, in het verlengde daarvan, in hun leidsters en andere opvoeders. Zoals hiervoor is uiteen gezet, hebben jonge kinderen behoefte aan veilige hechte banden met hun ouders en warme betrouwbare relaties met hun leidsters. Daarnaast hebben ze ook behoefte aan relaties met andere kinderen en aan ruimte voor autonomie.

In groepssituaties is het belangrijk dat leidsters extra aandacht besteden aan de behoefte aan privacy van de kinderen. Ze zorgen voor plekjes waar een kind zich kan terugtrekken om even uit te rusten of om op te gaan in het eigen spel zonder dat andere kinderen hem of haar storen.

Morele basisbehoeften

De kern van de sociaal-emotionele ontwikkeling is de gehechtheidrelaties van het kind met de ouders en andere opvoeders. Deze relaties hebben ook een sterk moreel aspect. Vertrouwen betekent dat het kind ervan uitgaat dat de ander 'goed' doet. Kinderen voelen zich trots als ze iets kunnen, en willen graag bijdragen en erbij horen. Ze handelen vanuit de basale wens een goed kind te zijn. Volgens Emde (1991) vormt dit alles de voedingsbodem voor het verwerven van de morele regel 'wat je zelf niet wil dat anderen met jou doen, doe dat zelf ook niet met anderen.'

Lichamelijke basisbehoeften

Goede lichamelijke verzorging voorziet in eten, drinken en slapen en dergelijke. Maar kinderen hebben ook behoefte aan bewegen en bewegingsvrijheid en een goede balans tussen rust en activiteiten. Leidsters helpen kinderen daarbij door ritmes van spelen, eten, drinken, slapen, verschonen en toiletgang af te wisselen met de mogelijkheid tot vrij bewegen, zowel binnen als buiten. Dit is voor jonge kinderen een levensvoorwaarde.

Vooral bij de jongste kinderen is voeden en verschonen een moment van persoonlijk aandacht en communicatie tussen leidster en kind. Bij de oudere kinderen is het samen eten een moment van gezelligheid. Door kinderen toe te staan zelf te leren eten, toon je respect voor hun behoefte aan autonomie. Goede verzorging komt tegemoet aan zowel de lichamelijke behoeften en gezondheid, als aan de behoefte aan waardering als persoon. Als kinderen zich niet lekker voelen of ziek worden, hebben ze vaak extra behoefte aan zorg en aandacht.

Cognitieve basisbehoeften

Jonge kinderen zijn van nature sterk gemotiveerd tot leren. Ze leren actief met hun handen, hart en hoofd. Ze leren vanuit emotionele betrokkenheid. Baby's kunnen bijvoorbeeld helemaal opgaan in wat ze zien. Net als bij het lopen, leren ze door vallen en opstaan zonder zich te laten ontmoedigen. Jonge kinderen leren door te doen en door te spelen. Spel is hun manier van leren en een bron van plezier!

Jonge kinderen zijn vooral sterk geboeid door andere mensen. Ze kijken veel naar wat de leidsters en de andere kinderen doen. Al heel kleine baby's zijn in staat om kleine veranderingen in het gezicht van hun ouders of leidsters waar te nemen. Maar jonge kinderen onderzoeken ook de materiële wereld en de natuur. Ze zijn kleine onderzoekers en leren door o.a. te kijken, ruiken, voelen, luisteren en gebruiken al hun zintuigen. Ze passen, meten en vergelijken verschillende voorwerpen. De leidsters zorgen voor een omgeving die voldoende complex is om uit te dagen tot ontdekken.

Communicatieve en creatieve basisbehoeften

Communicatie, contact maken met anderen en je uitdrukken, is een basisbehoefte die zich ook op heel jonge leeftijd manifesteert. Eerst vooral non-verbaal, in het lichamelijke contact tussen ouder en kind tijdens de verzorging en bij het knuffelen of dragen van het kind. Maar taal, ook als het kind nog weinig woorden begrijpt, speelt al snel een belangrijke rol.

Discussie

In Nederlandse kinderdagverblijven zijn veel wisselingen door deeltijd werk en deeltijd gebruik van de opvang. Als twee- en driejarigen gemiddeld twee dagen per week de peutergroep van een kinderdagverblijf bezoeken, zitten er 35 kinderen in dezelfde stamgroep. Daardoor komen de kinderen per week 20 tot 32 verschillende kinderen tegen en vier tot zes verschillende leidsters.
Naar de effecten hiervan op de kinderen is nauwelijks onderzoek gedaan. Hoeveel contacten kunnen nul- tot vierjarigen aan? Hoe kunnen we kinderen stabiliteit bieden?

Zie ook: Welkom in de groep, 2007.
136

Jonge kinderen hebben een grote behoefte aan diverse uitdrukkingsvormen. Zingen, dansen, muziek maken. Maar ook doen-alsof-spel, verven, kleien en andere vormen van creatieve expressie.

Samengevat

Een veilig pedagogisch klimaat ontstaat als leidsters sensitief en responsief reageren op de kinderen en hun basisbehoeften, als ze voor een duidelijke structuur en vertrouwde rituelen zorgen en gebeurtenissen, handelingen en gevoelens benoemen en uitleggen aan kinderen. Dit slaagt alleen als alle leidsters dezelfde regels, waarden en normen hanteren en voorleven. Goede samenwerking tussen de leidsters is hierbij cruciaal.

  

U kunt ook het complete curriculum in één keer downloaden van deze pagina.
Wilt u reageren op deze tekst? Kom naar het discussieforum.
Wilt u op de hoogte gehouden worden van belangrijke aanpassingen in de tekst? Schrijf dan in voor de email nieuwsbrief.

Terug naar het begin van deze pagina.



© 2008 Projectgroep Pedagogiek Kindercentra 0-4 jaar, Nederlands Curriculum, Elly Singer & Loes Kleerekoper.
Een initiatief van het Landelijk Pedagogenplatform Kinderopvang. De volledige tekst is beschikbaar op www.curriculumkinderopvang.nl
Versie: zaterdag 19 mei 2012.